Zon & Zeer – Meeuwen

Door Harrie Lemmens

In de bus van de Portugese ambassade naar Den Haag Centraal was het weer zover. We stotterden langs het standbeeld van Willem I, die hoog op zijn bronzen ros de kordate energie uitstraalde van een vorst die zojuist de scepter over een na de definitieve nederlaag van Napoleon gauw gauw door de machthebbers van Europa in elkaar geknutseld nieuw rijk in handen heeft gekregen en één en al goede wil en gedrevenheid is om er iets geweldigs van te maken, iets wat eeuwen mee kan, heersend over brave burgers die hem achten en eerbiedigen – en daar zat hij, de meeuw. Boven op Willems koninklijke kop. Brutaal, ongelikt en ongegeneerd.

Meeuwen, ik haat ze. Ze krijsen en schijten en richten ravages aan. Rijten vuilniszakken open en bedreigen en verjagen andere, lieve vogeltjes die zo heerlijk kunnen zingen. Meeuwen, het zijn de boeroepers in de opera van het vederrijk, de voordringers in de voedselmarkt van park, plantsoen en stoep, waar ze ruw en ruig concurreren met duiven, die andere ratten van het luchtruim.

En ze zitten overal.

Vlieg ik naar Lissabon en stap ik op de luchthaven in een taxi naar de Avenida da Liberdade, wordt eerst het hoofd van de Duque de Saldanha, de negentiende-eeuwse houwdegenminister van Oorlog met zijn martiale snor die met harde hand orde op zaken stelde in het door twisten geteisterde Portugal, en vervolgens dat van de achttiende-eeuwse rustbrenger en stadsredder van het door een aardbeving verwoeste Lissabon, de Marquês de Pombal, ontsierd door een meeuw.

Op één poot. Altijd op één poot. Urenlang. En zodra hij krijsend weg wiekt, strijkt er een andere grijswitte vandaal neer. De momenten dat er geen op de regentenhoofden zit zijn schaars. 

Zou een goddelijke hand dat regelen, vraag ik me af, of doen ze maar wat, zoals alles in de natuur wanorde en wangedrag is, moord en doodslag, grote slagpennen die kleine pluisbolletjes eten en meer van dat fraais.

Nee, dan wij mensen, wij ontregelen al regelend de natuur door bijvoorbeeld soldaten per schip vanuit Portugal naar de oorlog in Afrika te sturen, die bij de afvaart sceptisch begluurd worden door meeuwen op de rand van een dak. In dit geval niet één meeuw maar zeventien stuks, nooit meer en nooit minder dan zeventien, zoals António Lobo Antunes schrijft in De andere kant van de zee:

… meeuwen op het dak van een pakhuis, stil aan het wachten met die snavels en die woeste ogen van ze, ik telde er zeventien, echt waar, ik ben het nooit vergeten, in de regen, nu eens wazig dan weer helder afgetekend, grauw of wit…

Doem-me a cabeça e o universo.
Mijn hoofd en de wereld doen zeer.
Fernando Pessoa 

Um novo sol já vai raiar.
Een nieuwe zon zal stralen.
Vinicius de Moraes

Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.