Wonderbok – Bode inspiratório (3)

Vooraf, door vertaler Jos van den Hoogen.

Zoals in veel landen besteedden ook in Portugal schrijvers aandacht aan de pandemie. In 2020 ontstond zo het omvangrijke project Bode Inspiratório, geïnitieerd door Ana Margarida de Carvalho, waarin 46 Portugese schrijvers gedurende 46 dagen elk een vervolghoofdstuk schreven van een feuilleton, voortbordurend op het hoofdstuk van hun voorganger. Het geheel geeft, ook al door de grote stijlverschillen en verhaalsprongen een beklemmend beeld van een periode van onzekerheid, angst en sociaal isolement. De hoofdstukken zijn vertaald naar het Engels, Catalaans, Frans, Duits, Italiaans en ook het Nederlands, door Jos van den Hoogen. In de komende weken volgen hier de eerste vier hoofdstukken van Wonderbok, zoals de Nederlandse titel luidt. Het hele boek is inmiddels verschenen in het Portugees en het Engels. Hoofdstuk 1 kunt u hier lezen en hoofdstuk 2 hier.

Hoofdstuk 3 – Herinneringen aan de tijd van de pest

Door Ana Cristina Silva

Op dat moment riep professor Cacilda haar naar de vergadering en Teresa nam haastig afscheid van de ex-directeur, bang voor ongewenste bekentenissen. Als wetenschapper wist zij dat het project de coördinaten kon veranderen waarlangs de mensheid zich bewoog. Onder haar verlegen uiterlijk was ze een jonge vrouw met heldere ideeën en obsessieve gedachten, maar alleen wat haar onderzoek betrof. Vandaar haar verbijstering over het plotseling opkomen van verhitte discussies, zeker onder zulke briljante personen, die vooral draaiden om de macht, alsof de angst om op de tweede plaats te komen het algemeen nut overtrof.

Blijkbaar had zij niet het competitie-gen geërfd dat volgens haar te veel energie vrat, die gericht zou moeten zijn op fundamentele ontdekkingen. Ze liep langzaam door de lange witte gang naar de vergaderzaal en stak haar hand in haar stofjas. Er zat een envelop in met een brief van een grootvader die ze nooit had gekend. Ze kende alle woorden van die brief uit het hoofd, omdat die bewees dat alles wat al gebeurd was, opnieuw zou gebeuren. En ze had zich aangeboden voor dat gevaarlijke en innovatieve project om een proces van definitieve veranderingen teweeg te brengen in de wereld. Voordat ze zich bij haar collega’s voegde, sloot ze haar ogen en riep de stem van haar grootvader op, alsof ze een gebed zei:

‘Liefste kleindochter,

Ze hebben het vaccin gevonden. Het zal nog enkele maanden duren om voldoende doses te produceren om de wereldbevolking in te enten. De mars door de duisternis is eindelijk gestopt. Maandenlang waren de mensen in hun gedachten alleen maar bezig met de terreur, waaruit blijkt dat we niet in staat zijn ons aan te passen wanneer ons de meest simpele gebaren van menselijkheid ontzegd worden. Omhelzingen waren verboden, kussen was afgeschaft en de wereld werd gesloten toen het virus zich verspreidde. In de periode dat we binnenshuis bleven, leefden we in een individuele cel, in de grootste eenzaamheid. Iedereen greep alle mogelijkheden aan om de moed niet te verliezen. De gevangenis trad buiten haar muren en kroop onder ieders huid.

Ik kijk door het raam. Daar buiten blijft alles hetzelfde: de dag loopt langzaam ten einde en de schemering daalt zacht uit de hemel neer, binnen en buiten het huis. Er is niemand op straat. Je hoort geen stemmen in de verte, noch de echo van stappen. Je hoort steeds minder lachen.

De pijn van deze lege ruimtes bezorgt je koude rillingen over je hele lijf. De absolute stilte van de lucht en de grijze omtrek van de gebouwen definiëren de werkelijkheid volgens criteria van een sciencefictionverhaal.

De weg naar de dood is vlak, delicaat en kristallijn als ijs. De tijd om ertussenuit te glippen, nadert. Ik ben een oude man die onder andere omstandigheden nog vele jaren zou kunnen leven. En nu nog meer nu er een remedie is gevonden. Gisteren klopte de bovenbuurvrouw aan de deur. Ze was een vrouw van veertig, mager en schraal, met een lang gezicht, smal bij de slapen, waarop nooit een glimlach straalde. Ik kende haar niet goed, we hebben nooit één woord gewisseld, maar ik hoorde haar wel beledigingen en bedreigingen roepen naar de buurvrouw ernaast vanwege het lawaai van een hond. Ik gluurde door het spionnetje. Het beeld van de buurvrouw leek op iemand die we op een scherm zien, misschien omdat we al te lang niet meer bij iemand zijn geweest. Ze leek me eerder ellendig dan gevaarlijk. Te oordelen naar de manier waarop ze tegen de deur leunde, vermoedde ik dat ze ziek was. Het volgende moment zag ik haar niet meer, ik hoorde alleen de bons van een lichaam dat valt.

Op dat ogenblik deelde de tijd zich in tweeën, hoewel het niet mogelijk was deze splitsing vast te leggen. Van waar ik was, op die afstand die gevaar scheidt van overleven, had ik kunnen kiezen om te leven, maar ik dácht niet. Beter gezegd, ik besloot, stom misschien, dat ik mens wilde blijven en dat ik me niet wilde afsluiten voor andermans leed.  Ik deed de deur open en de zo gemene en onaangename buurvrouw stierf in mijn armen. 

Je zit nog in de buik van je moeder. Als je opgroeit, zal de wereld weer verzoend zijn met het licht en van dit vreselijke jaar zullen alleen herinneringen overblijven die zich hebben vastgezet in de angst van de oudsten. Ik zal je nooit ontmoeten, maar beloof me dat je een droom zult creëren en dat je je best zult doen om met die overweldigende droom de wereld te verbeteren.’

Die laatste woorden van haar grootvader duwden Teresa de vergaderruimte in. Het was zijn stem die zij tot de hare maakte om haar persoonlijke verlegenheid te overwinnen en zo in staat te zijn innovatieve formules te verkondigen voor die groep wetenschappers met zulke heetgebakerde ego’s die erom bekend stonden herhalingen en kleine varianten van dezelfde theorieën meer  te waarderen dan kennisrevoluties.

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.