Mozambique (7) – Nelson Saúde

Nelson Saúte, nummer zeven in onze kleine Mozambique-reeks, werd in 1967 geboren in Maputo, dat toen nog  Lourenço Marques heette, en was tien toen, na het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1975, een burgeroorlog uitbrak die zestien jaar lang zou duren. Daarover schrijft hij in zijn enige roman Os narradores da sobrevivência (2000), waaruit we hier de eerste bladzijden publiceren. Verder schreef hij verhalen en een kinderboek en stelde hij een bundel Mozambikaanse gedichten en een anthologie van verhalen uit zijn land samen. Hij werkt aan de universiteit en voor de radio.

Overlevingskunst 

Eerste schrijven van de verteller

De oorlog had de hoofdstad nog niet bereikt, toen Marimba terugkeerde na lang geleden ineens te zijn verdwenen, zonder dat iemand wist waarheen. Hij zit in Niassa, zeiden de meeste mensen, want daar werden alle bastaardzonen van de revolutie naar afgevoerd. Sommigen beweerden daarentegen dat hij bij het leger diende en weer anderen stelden vol overtuiging dat hij op de de grote weg, de Estrada Nacional 1, in een hinderlaag was gelopen.

De oude moeder van Marimbique weersprak met klem iedere theorie dat hij dood zou zijn. Niettemin bracht ze de laatste dagen van haar leven door met het drogen van de tranen om haar zoon, die ze meende nooit meer terug te zien, al was het maar, zo vermoedde ze, omdat haar eigen dood steeds dichterbij kwam. Ze had al te lang gewacht. Als hij ooit terug zou komen zou hij haar moeten bezoeken op het kerkhof van Lhanguene.

Er waren ook aardig wat lui die een beschuldigende vinger uitstaken naar de moeder van Marimbique en haar van hekserij verdachten. Hoe wist ze zo zeker dat haar zoon nog leefde? Of liever: hoe wist het oude mens dat ze haar zoon niet meer zou zien, dat de dood haar spoedig zou komen halen?

Er bestaan veel verhalen waarin mensen, als ze zien dat hun einde nadert, hun naaste verwanten om zich heen verzamelen, de karige restjes van hun armzalige boeltje verdelen en zich voorgoed te ruste leggen op de slaapmat van de eeuwigheid. Zouden ze hun voorouders horen roepen? Maar wat voor waarde hadden voorspellingen die niet bij machte waren levens te corrigeren die veroordeeld waren tot een altijd weer terugkerende armoede?

In die dagen kwam ze haar huis niet uit, sterker nog, ze sleepte zich voort op de bovenverdieping en gaf zich op het balkon over aan het stadsrumoer. De buurtkinderen zongen luidkeels hun onschuld uit. Ze hadden geen weet van de drama’s die hun ouders en andere familieleden doormaakten, ze konden zich die niet eens voorstellen. Gelukskinderen waren het, want er zijn er zoveel die alleen maar de taal van het lijden kennen, omdat ze verbannen zijn uit hun vaderland. 

Om één ding kon echter niemand heen: Marimbiques moeder was de afgelopen maanden op een schrikbarende manier oud geworden. Waarschijnlijk herhaalde ze daarom almaar dat ze dicht bij de reis was die haar naar haar allerlaatste ballingsoord zou voeren. Bestond er een wreder lot dan het leven dat zij leidde? Ze kon beter verhuizen naar de cocuanas, de oudsten onder de grond.

Die ene dag dommelde zijn oude moeder niet zoals altijd in de late namiddag weg op het balkon. Ze vroeg zich steeds bezorgd af of ze wel wakker zou worden uit dat wegdutten op het balkon. Die slaap beangstigde haar meer dan de normale slaap. Vaak werd ze er pas in het donker uit wakker en dan bleef ze luisteren naar de geluiden van de nacht: de stemmen van de losbollen, het lallen van de zatlappen en het roepen van de hoeren, die beslag hadden gelegd op de brede straten en dure wijken van de hoofdstad. 

Pal tegenover het huis stond het paleis van de aartsbisschop. De oude moeder had haar hele leven niet in God geloofd, maar de middagen waarin ze onafgebroken stilletjes huilde om haar zoon, smeekte ze Hem waarschijnlijk om haar Marimbique terug te brengen.

Terwijl zijn moeder zich hulde in haar lijkwade van tranen, zat Marimbique als escorte in een vreemde vrachtwagen die tegen de avond de stad binnenreed. Hij vervulde zijn plicht als milicien zoals hij daar in een hoekje van de vrachtwagen zat. Hij droeg geen wapens, had niets om zich te verdedigen tegen een hinderlaag. Het lukte hem niet eens de vliegen van zich af te slaan die de hele rit druk en daas rond zijn hoofd dansten.

Marimbique kende de chauffeur die hij begeleidde niet. Ze voerden een opdracht uit waarvoor ze aangewezen waren toen ze elkaar voor het eerst zagen. De man achter het stuur leek wel een slaapwandelaar. Net als hijzelf trouwens.

De stadsbewoners trokken zich terug in hun schuiloorden. Ze sleepten zich voort, langzamer dan hun schaduwen. Ook zij liepen naar de avond van hun leven. Alleen sommige mannen die zich als goden hadden vermomd, schoven op hun onaantastbare takken van de macht de gedachte weg dat aan alles een einde kwam. Zoals ze dat trouwens vele jaren lang zouden doen.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.