Week van de moderne kunst

Precies honderd jaar geleden reageerde de goegemeente van São Paulo geschokt toen een groepje dwarse schrijvers en kunstenaars de spot dreef met alles wat heilig was tijdens de Semana da arte moderna, een aan moderne kunst gewijde week (13-17 februari 1922). Alles moest anders, Brazilië moest zich niet langer blindstaren op Europa, maar naar zichzelf kijken, de zwarte en de indiaanse kunst en denkwijzen opnemen in zijn cultuur. Het was de geboorte van het Braziliaanse modernisme. Vreemd genoeg richtte dat dus niet zoals in Portugal de blik op het buitenland, naar de avantgarde, maar, om het oneerbiedig te zeggen, op de eigen navel. Dat leidde niettemin tot avantgardistische kunt, zoals de bijzondere afbeelding van Jezus Christus door de in Italië geboren en opgeleide (dus paradoxaal genoeg van buiten gekomen) beeldhouwer Victor Brecheret. 

Een van de leiders van de recalcitrante bent, Mário de Andrade, schrijver van wat wel eens hét modernistische boek wordt genoemd, een eigengereide beknopte samenvatting van geschiedenis en sociologie van Brazilië, Macunaíma, wist in 1920 een bronzen kopie van Brecherets Cabeça de Cristo (‘Hoofd van Christus’), te bemachtigen en liet het beeld vol trots thuis zien. Maar daar reageerden ze zo verontwaardigd dat hij uit woede dezelfde avond nog een gedichtencyclus begon waarmee hij de vloer aanveegde met de bekrompen moraal en die hij als titel meegaf Pauliceia Desvairada, ‘Mesjogge São Paulo’. Het boek kwam kort na de week van de moderne kunst uit. Daaruit dit gedicht.

Ode aan de burgerman

Ik beschimp de burgerman! De non-valeur-burgerman,
De burger-burgerman!
De net-goed-digestie van São Paulo!
De bochelman! De billenman!
De man die als Fransoos, Braziliaan, Italiaan
Altijd behoedzaam rustig aan doet!

Ik beschimp de behoedzame edellieden!
De truttelbaronnnen! De sukkelgraven! De kuddelhertogen!
Die wonen binnen muren zonder missers
En maten met een paar schamele duiten smeken
Om te zeggen dat de dochters van mevrouw Frans spreken
En met hun nagels de Printemps spelen!

Ik beschimp de lamentabele burgerman!
Volgevreten met spek en bonen, hoeder van tradities!
Weg met hen die alles op voorhand berekenen!
Moet je het leven zo toch zien!
Krijgen we zon? Gaat het regenen? Harlekijns!
Maar bij regen op de rozen
Zal de zon altijd zorgen voor extase!

Dood aan de vetzucht!
Dood aan de dichtgeslibde hersens!
Dood aan de pensioenburger!
Aan de bioscoopburger! Aan de tilburyburger!
Protserige patisserie! Afgezaagd restaurant!
‘Wat wil je voor je verjaardag, schat?’
‘Een collier…’ ‘Zo duur!!! 
Maar we gaan dood van de honger!’

Vreet! Vreet jezelf op, glibberige kwal!
Puree van fatsoenspiepers!
Met je neus vol haren en je kale kop!
Hatelijke regelmaattemperamenten!
Hatelijke musculaire klokken! Dood aan de oneer!
Hatelijke centenknijperij! Hatelijke krenterigheid!
Hatelijk nooit verslappen of berouwen,
Eeuwig en altijd hetzelfde zoals het hoort!
Met de handen op de rug! Ik geef het ritme aan! Hela!
Twee aan twee! Voorwaarts! Mars!
Allemaal naar de centrale van mijn bedwelmende wrok
Haat en schimp! Haat en woede! Haat en nog eens haat!
Dood aan de knielburgerman,
Die riekt naar religie en niet in God gelooft!
Rode haat! Vruchtbare haat! Cyclische haat!
Geschraagde haat zonder pardon!
Weg, weg! Wegwezen jij brave burgerman…!

Ode ao Burguês

Eu insulto o burguês! O burguês-níquel,
o burguês-burguês!
A digestão bem-feita de São Paulo!
O homem-curva! o homem-nádegas!
O homem que sendo francês, brasileiro, italiano,
é sempre um cauteloso pouco-a-pouco!

Eu insulto as aristocracias cautelosas!
Os barões lampiões! os condes Joões! os duques zurros!
que vivem dentro de muros sem pulos;
e gemem sangues de alguns mil-réis fracos
para dizerem que as filhas da senhora falam o francês
e tocam os “Printemps” com as unhas!

Eu insulto o burguês-funesto!
O indigesto feijão com toucinho, dono das tradições!
Fora os que algarismam os amanhãs!
Olha a vida dos nossos setembros!
Fará Sol? Choverá? Arlequinal!
Mas à chuva dos rosais
o èxtase fará sempre Sol!

Morte à gordura!
Morte às adiposidades cerebrais!
Morte ao burguês-mensal!
ao burguês-cinema! ao burguês-tílburi!
Padaria Suissa! Morte viva ao Adriano!
“— Ai, filha, que te darei pelos teus anos?
— Um colar… — Conto e quinhentos!!!
Mas nós morremos de fome!”

Come! Come-te a ti mesmo, oh gelatina pasma!
Oh! purée de batatas morais!
Oh! cabelos nas ventas! oh! carecas!
Ódio aos temperamentos regulares!
Ódio aos relógios musculares! Morte à infâmia!
Ódio à soma! Ódio aos secos e molhados!
Ódio aos sem desfalecimentos nem arrependimentos,
sempiternamente as mesmices convencionais!
De mãos nas costas! Marco eu o compasso! Eia!
Dois a dois! Primeira posição! Marcha!
Todos para a Central do meu rancor inebriante
Ódio e insulto! Ódio e raiva! Ódio e mais ódio!
Morte ao burguês de giolhos,
cheirando religião e que não crê em Deus!
Ódio vermelho! Ódio fecundo! Ódio cíclico!
Ódio fundamento, sem perdão!
Fora! Fu! Fora o bom burgês!…

Vertaling Harrie Lemmens

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.