Mozambique (5) – João Paulo Borges Coelho

De Mozambikaanse schrijver João Paulo Borges Coelho (1955), in Porto geboren maar als kind verhuisd naar de stad Beira in Mozambique, waar ook zijn leeftijdgenoot Mia Couto opgroeide, heeft sinds zijn debuut als romanschrijver in 2003 meer dan tien boeken gepubliceerd. Zijn bekendste fictiewerk (hij is ook historicus), De huisbezoeken van dokter Valdez (2004), vertelt het verhaal van de overgang van kolonie naar autonome staat door deze te situeren, als het ware ‘op te sluiten’, in het huis van twee oudere zussen en hun bediende Vicente. Een bijzonder originele en sprankelende manier om de worsteling en frictie weer te geven waarmee die overgang gepaard ging. En vol humor. We publiceren hier de openingspagina’s, waarin de drie vanuit het noordelijke Pemba landen in het veel zuidelijker gelegen Beira.

As visitas do Dr. Valdez

De Fokker Friendship F-27 van de DETA had bij aankomst geen vertraging opgelopen. Met dunne regenlijntjes op zijn romp landde hij zachtjes op het asfalt en gleed door terwijl miljoenen waterdruppels opspatten die vanuit de verte gezien een sierlijke wolk vormden. Kort daarna begon hij te remmen, eerst licht maar meteen daarna resoluter en tijdig genoeg om met een scherpe draai de piste te verlaten en tot vlak voor het gebouw van luchthaven Sacadura Cabral te taxiën, als een reusachtige natte vogel die zijn veren uitschudde. 

De twee oude vrouwen en de jongen zouden niets van dit alles kunnen navertellen, want ze hadden al die tijd hun ogen dichtgeknepen, hun tanden op elkaar geklemd, hun handen om de armleuningen gekneld alsof de stoelen onder hen weg konden schieten en zenuwachtig hun voeten over elkaar gewreven. In bange afwachting van het einde van hun beproeving.

Het vliegtuig reed nog een stukje door tot het met een soort hupje bleef staan. Het zo-even nog oorverdovende geraas van de motoren nam af tot een schuchtere klaagzang, waarbij stoom uit de ijzeren naden siste, en ten slotte werd het stil. 

‘Ik ben bang, Caetana,’ fluisterde een van de twee oude vrouwen. Dat deed ze al sinds de wereld in en buiten haar aan het vergaan was, alsof ze een litanie prevelde. Het was geen fysieke angst die uit haar herhaalde klacht sprak, en het kon dat ook niet zijn nu ze de greep op haar lichaam verloor, dat haar omhulde als een levenloze en bijna vreemde massa. Het was angst voor wat ze niet kon bevatten, angst dat de wereld verging. En omdat ze koppig was en zich nog niet bij alles had neergelegd, liet ze dat ‘ik ben bang’ telkens horen als er onverhoeds iets opdoemde wat afweek van haar steeds striktere logica. En dat was dan ook meteen een berisping aan het adres van haar zus, die haar dat vreemde, dat onbekende iets zou moeten uitleggen, het begrijpelijk maken, maar daarin tekortschoot.

‘Rustig maar, zusje, het is voorbij, we staan weer op de grond,’ antwoordde Sá Caetana zonder zelfs maar opzij te kijken, ook zij niet helemaal vrij van angst, en ze praatte zacht omdat de andere passagiers niets met hun gesprek te maken hadden. ‘Rustig maar,’ herhaalde ze, gegeneerd omdat haar zus haar angst niet net als zij verdoezelde en zo beiden te kijk stelde. 

Het feit dat ze zweeg betekende wellicht dat Sá Amélia bedaard was, maar het zwijgen van de jonge huisbediende Vicente, die met zijn neus tegen het raampje gedrukt naar buiten keek, was van andere aard. Het vatte de nieuwsgierigheid en de angst samen waarmee hij het met wolken bespikkelde luchtruim van Pemba naar Beira had doorkruist en zich afvroeg of het avontuur nu wel helemaal afgelopen was. 

En dat vroeg hij zich terecht af, want toen de drie, nauwelijks bekomen van de schrik met knipperende ogen vanwege het felle daglicht in de deuropening van het vliegtuig verschenen, boog Sá Amélia voorover in haar door Vicente geduwde rolstoel en schoot het rijgkoord van haar keurslijf door de druk van de weelderige boezem enigszins los, waardoor er een glinsterende waterval van munten naar buiten stroomde. Ontelbare oude munten uit alle windstreken, van Portugese réis en Britse florijnen tot zilveren cruzado’s en roepia’s, pataca’s en macuta’s, ceitils en bescheidener bazaruco’s en enkele terezinha’s. Hoeveel eeltige handen hadden ze wel niet moeten strelen om zo glad en afgerond te worden, zo dof uitgeslagen wat tekening en beeltenis betrof. Blinde baarddragers en blinde edelvrouwen. 

Munten die door de gretige handen van zeerovers waren gegaan, gladgestreken door hun bruine tabaksvingers, ruikend naar het zweet en de angst van slaven. Munten uit Goa en Oostenrijk, vervoerd op schepen met namen als Giuseppe & Tereza, Prinz Ferdinand en Santo António das Almas, vaalwit als de gehate plukken katoen of grijsbruin als sisal en kokosnoten. Munten met de pijn en de toe-eigening van het werk die de ongelijkheid onthulden van een tijdperk dat ten einde liep. Meer dan alle andere blonken de Engelse ponden van goud, van recenter datum, de koningen onder de munten. Ze sprongen en dansten wild in het rond. Ze hadden eerst zolang verstikt gezeten in een kist in het halfdonker van een kamertje en daarna tijdelijk tussen die twee borsten, dat ze nu vrolijk uit hun langs de vliegtuigtrap omlaag schoten en over het beton van de luchthaven rolden. Alsof ze allemaal een veilig heenkomen zochten.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.