António Lobo Antunes – De andere kant van de zee

Door Kees Bakhuijzen

kijk dat is Afrika, begrijpt u, dat is wat wij zijn, het verleden veel groter dan men denkt

In een interview uit 2007 zei António Lobo Antunes (Lissabon, 1942) dat hij na ieder boek weer de vrees heeft dat het hem niet zal lukken een volgend boek te schrijven. Naast het schrijven op zich boezemt ook het klimmen der jaren hem angst in. ‘Het is ook een soort afspraak met de dood. Laat me nog een, nog twee, nog drie boeken schrijven… Ik zou graag de tijd hebben om er nog een te schrijven om het werk af te ronden, het is alsof het een cirkel is die nog niet compleet is.’[1]

We zijn inmiddels 14 jaar verder. António Lobo Antunes is erin geslaagd de dood op afstand te houden, en dat niet alleen; zijn productie in die periode is met meer dan 10 nieuwe romans indrukwekkend te noemen. Veel van dat werk is voor het Nederlandse taalgebied toegankelijk gemaakt door zijn vaste vertaler Harrie Lemmens, zo ook zijn laatste roman De andere kant van de zee uit 2019. 

In zijn voorlaatste werk, Voor wie in het donker op mij wacht (2016, Nederlandse vertaling 2018), vertelde António Lobo Antunes het verhaal van de stervende tweederangs actrice Alceste in Lissabon, maar voor zijn nieuwe roman keert hij terug naar het thema dat allesbepalend is geweest in zijn leven en daarmee voor zijn oeuvre, de koloniale oorlog in Angola, waar Lobo Antunes van 1971 tot 1973 dienst deed als legerarts. ‘Een ding begin ik intussen wel te snappen, (…); ik word nooit meer degene die ik was, nooit,’ zo zegt hij al in een van de eerste brieven die hij zijn vrouw in 1971 uit Angola stuurt. ‘Ik zou nooit schrijver zijn geworden als ik die ervaring niet had gehad’.[2]

Memória de elefante (zijn debuut in 1979), Cus de Judas (eveneens 1979, vertaling De Judaskus, 2002), en Conhecimento do Inferno (1980, vertaling Reis naar het einde2016) hebben de koloniale oorlog die Portugal begin jaren zeventig in Angola vocht als thema, en sindsdien volgden er nog veel romans waarin het koloniale verleden van Portugal als een rode draad door het verhaal loopt, hetzij tegen het decor van Angola, hetzij met Portugal zelf als de locatie waar het verhaal zich afspeelt.

António Lobo Antunes heeft in De andere kant van de zee gekozen voor de turbulente ontwikkelingen in Angola in januari 1961 die uiteindelijk de opmaat zouden blijken tot de koloniale oorlog, die duurde tot de Anjerrevolutie van 25 april 1974. Onder leiding van de charismatische António Mariano protesteerden landarbeiders van Cotonang, het Belgisch-Portugees consortium dat het monopolie had op de katoenhandel in Angola, voor betere arbeidsomstandigheden. De opstand werd bloedig onderdrukt door het Portugese leger. Twee maanden later nam een van de drie net opkomende bevrijdingsbewegingen in Angola wraak in het noorden van het land, opnieuw met een bloedbad tot gevolg. De rest is, zoals men zegt, geschiedenis.  

Tegen deze achtergrond vertelt António Lobo Antunes het verhaal van drie mensen die getekend zijn door dit wrede verleden, een legerofficier, een ambtenaar en de dochter van een katoenplanter. Wat deze drie personages gemeen hebben is de rol die Angola in hun leven heeft gespeeld, een rol die evenals bij Lobo Antunes zelf nooit meer verdwijnt. Het leven van de drie hoofdpersonen is getekend door niet waargemaakte verwachtingen en ambities, door een kolonie die aanlokkelijk klonk, maar die niets dan ellende bleek te betekenen. Het leven van alledrie is mislukt, het enige wat ze nog kunnen is nu, na jaren, de balans opmaken en die stemt weinig hoopvol omdat ze nooit aan hun koloniale verleden hebben kunnen ontsnappen. 

De dochter van de katoenplanter is teruggekeerd naar Lissabon, samen met haar zwarte werkster. ‘maar we gaan niet terug naar Angola en dat weten we ook, mijn ouders zijn er niet meer, ons huis is er niet meer, niemand kent ons meer in Baixa do Cassanje, als de waakhonden er nog zijn weet ik zeker dat ze ons niet kwispelstaartend tegemoet rennen’. Ook de legerofficier woont weer in Lissabon, in een simple, goedkope staatshuurwoning. ‘uiteraard praat ik hier met niemand over, uiteraard houd ik het verborgen terwijl ik toch nauwelijk iets verberg, bijvoorbeeld dat ik Angola kots- en kotsbeu was en ze mij maar niet naar huis stuurden, nog eens drie maanden maar wees niet bang we denken aan u, nog eens zes maanden, een jaartje erbij, hier alstublieft, een dankbetuiging terwijl ik verstrooid dacht, Penada Suajo Gerês en hier, een schijtlintje, ze waren ervan overtuigd dat ik daar blij mee was’. Alleen de ambtenaar is in Angola gebleven, waar hij nog altijd samen is met een lokale albino vrouw: ‘ik heb je gekocht van je vader, vijf dekens en twee geiten heb ik hem betaald, hoewel een meisje van jouw leeftijd hooguit vier dekens kost’. Onderling contact tussen hen lijkt er nauwelijks te zijn. 

Door alles komt het racisme van de koloniaal naar boven. Zo zegt de ambtenaar over zijn albinovrouw: ‘voor de prijs die je kostte had ik er twee of drie in de dorpen kunnen kopen, ook jong, gehoorzaam, bereid om de thee voor een abortus te drinken als ze zwanger worden, ik wil geen halfbloedjes’. En de dochter van de katoenplanter hoort haar vader zeggen ‘want negers bestaan alleen als wij ze roepen, als ik het wil, ze bestaan alleen als ze voor mij werken in de katoen, als ze hun huid openhalen aan de stekels, […], als ze hun bloed voor me verbergen, stomme rotzwarten, zieke rotzwarten, nutteloze rotzwarten, ik zal mijn dochter er een cadeau doen als ze groot is.’ – ‘Dat is wat die blanken in het boek denken,’ aldus Lobo Antunes. ‘Racisme is onontkoombaar, het komt voort uit angst en onwetendheid.’

De plaats van handeling mag sterk verschillen van zijn vorige roman, qua stijl sluit Aan de andere kant van de zee volledig aan bij zijn voorganger. Bij een beschrijving van de stijl van Lobo Antunes komt altijd het woord gelaagdheid op als karakterisering. Hij vertelt ons zijn verhaal in flarden, waarbij elk element steeds een nieuwe laag krijgt, met daarin terugkerende elementen. Niets voor niets worden zijn romans vaak vergeleken met muziekwerken, en als in een symfonie werkt ook hij met motieven, zinnen en beelden die als een bijna bezwerende mantra herhaaldelijk terugkeren. Door zijn vertelprocédé, waarbij hij het verhaal vertelt vanuit het perspectief van de drie hoofdpersonen, zit je als lezer enorm dicht op het verhaal. ‘leven is lastig, zeker, er zijn erger dingen, dat zal ik niet ontkennen, maar het is echt lastig, dat was ook verdomd goed te zien aan mijn ouders, gelukkig hebben we wat spaarcentjes jongen, en toch zo moeilijk, we verdoezelen het maar het is moeilijk, wat zijn de dagen hard, wat is het hard op de kalender te kijken, of op de klok, wat zijn die wijzers, die datums gemeen, wat me aangreep, echt waar, om niet verder te gaan, was mijn ouders zien eten, hoe ze hun mond schoonveegden met het servet, waardoor hun trekken verdwenen, en naar mij keken, alleen al als ik hen samen het huis uit zag gaan kreeg ik het te kwaad, als ik me zo mag uitdrukken, arm in arm en ik kreeg het te kwaad, …

In de romans van António Lobo Antunes ontbreekt een plot veelal. ‘Ik ben geen verhalenverteller,’ zei hij daar ooit over, en ook dat een plot eigenlijk ongewenst was, op z’n best een noodzakelijk kwaad dat diende ‘als hulpmiddel om de dingen te kunnen zeggen die ik interessant vind’. Over de juiste definitie van een ‘verhaal’ kan men uren discussiëren, feit is dat de romans van Lobo Antunes geen romans in de traditionele zin van het woord zijn. Het is die minachting voor traditionele vertelstructuren die ervoor zorgt dat hij in bijvoorbeeld de Angelsaksische wereld niet altijd op handen wordt gedragen en een enkeling zelfs tot razernij drijft. Zo schreef een recensent in The New York Times eens over een van zijn romans: ‘Liever nog wrik ik met een roestige nijptang de nagel van mijn grote teen los dan deze strafexpeditie van 585 bladzijden nogmaals te moeten verduren.’ 

Het mooie is echter dat bij Lobo Antunes dat verhaal door zijn manier van vertellen een soort fluïde karakter krijgt. Het predikaat ‘kaleidoscopisch’ is meer dan ooit op zijn plaats; elementen vallen over elkaar heen, en andere elementen worden weer tijdelijk verborgen door nieuwe elementen die eroverheen vallen. Omdat onze herinneringen elke dag weer onderdeel zijn van onze levens, komen ze ook hier in flarden door meer recente gebeurtenissen heen. ‘Wij denken vanuit ons geheugen; onze verbeelding is niets anders dan de manier waarop wij ons geheugen vorm geven’.[4] Het zijn deze afwisselende flarden van ver verleden, verleden en heden waarop António Lobo Antunes zijn verhaal bouwt. ‘gekke kist toch het hoofd, wat het allemaal weggooit en wat het bewaart.’ Voordeel van die verteltechniek is niet alleen dat zijn romans bij herlezing nog aan kracht winnen, maar ook dat je daarbij willekeurig welke bladzijde kunt openslaan om van een passage te genieten. Want dat is de stijl van António Lobo Antunes: je kunt er zo in duiken, zijn romans zijn opgebouwd uit passages die samen een verhaal vertellen. Of, zo u wilt, een beeld schetsen. 

Op deze wijze schildert Lobo Antunes met flarden, met fragmenten, het grote schilderij van Angola, van de wreedheden, van het racisme, van het onderlinge onbegrip, van de teleurstellingen om de mislukte levens en huwelijken, van de restanten van gevoel die er toch ook nog tussen te vinden zijn, van de ambtenaar die er niet de rijkdom vond die hij had gehoopt, van de voortdurende achterdocht van iedereen en van het menselijk tekort. 

Ook hier, evenals in Voor wie in het donker op mij wacht de steeds grotere rol van de ouderdom, die ons niet spaart. ‘ik die altijd een hekel heb gehad aan ouderdom, ik had nooit gedacht dat we zo oud zouden worden, vreselijk, je zult het zelf wel merken, het is niet alleen je leven dat je verliest, het is ook dat je doof wordt, altijd moe bent, elke trap telt wel honderd treden, plotseling ben je leuningen dankbaar, voel je liefde voor iedere overloop’.

En natuurlijk zijn daar de gruwelijkheden, die Lobo Antunes nietsontziend, bijna terloops en onontkoombaar, vertelt. Evenals in vorige boeken (met name De Judaskus) klinkt in verschillende passages de invloed van Louis-Ferdinand Céline en diens ‘ondergangsmystiek’ door; ‘eerst zwaaiden ze naar de vliegtuigen, daarna vluchtten ze voor de mitrailleurs en de bommen, terwijl het leger hen van hut naar hut achtervolgde, het gekrijs van de kippen, het kakelen van de keffers, het gekef van de vrouwen, kinderen met grote ogen van de schrik, de zonnebloemen eerst geel en daarna donker op de grond, de mandrils die elkaar blaffend riepen van heuvel tot heuvel’. Wie de gruwelijkheden die soms terloops in de brieven uit Mijn Winterkat, mijn lief ter sprake komen kent, weet dat deze gruwelijkheden een echo vormen van de gruwelijkheden waar Lobo Antunes in Angola mee werd geconfronteerd. ‘Toen we aankwamen, raakte de geamputeerde in een shock. We gaven hem zes liter bloed (de vrijwilligers stonden in de rij om bloed te geven, er was niémand die zich niet aanbood), een hoeveelheid dopamine waar een paard van op zou springen enzovoort. Het been zag er verschrikkelijk uit. De ander had in zijn borst zo’n metalen ringetje waar je de veters van een laars doorheen haalt en in zijn elleboog een stukje bot. Allebei afkomstig van de verdwenen voet van de geamputeerde, bij de explosie waren ze in het lichaam van de ander gedrongen.’ 

Ook in het kleine is Lobo Antunes een meester. Een bijfiguur wordt in een halve alinea prachtig neergezet om verder niet meer terug te keren. ‘zo aardig en zo lelijk, overlopend van medelijden, ze woonde bij een tante die een hersenbloeding had gehad en de hele dag in een ochtendjas in een oude leunstoel zat, zonder te praten, ze beet alleen met haar enige tand op haar onderlip en staarde ons met holle haat aan, met in de roerloze klauw van haar vingers een gekreukte lakschoen, af en toe onderbrak ze haar haat even voor een glimlach naar niemand’. 

Maar uiteindelijk dient het allemaal om ons dat grotere vignet te presenteren, die oorlog die de levens van zovelen blijvend zal bepalen. Daarbij komen er prachtige zinnen voorbij die bijna als aforismen kunnen gelden. ‘er is niets wat zo alleen op de wereld is als ogen soms, verloren in het gezicht zonder iemand die ze helpt’ . 

Wederom een prachtroman. Het zal ongetwijfeld niet de laatste zijn, en daar mogen we António Lobo Antunes en de voorzienigheid zeer dankbaar voor zijn.  

Kees Bakhuijzen studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde in Amsterdam. Na een aantal jaren als docent NT2 te hebben gewerkt in Amsterdam, vertrok hij naar Sydney, waar hij o.a. als Communications Officer werkzaam was voor de NSW State Government. Inmiddels werkt hij, in Rotterdam, al weer een aantal jaren als vertaler Engels voor de Nederlandse overheid. Tussendoor schreef hij onder andere voor Trouw, Vrij Nederland en The Australian. 

Foto Ana Carvalho

____________________________
[1] Joâo Céu e Silva: Uma longa viagem com António Lobo Antunes, Porto Editora, 2009, blz.18.
[2] Idem, blz.35.
[3] Idem, blz. 42.
[4] Idem, blz, 36.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.