Kinderjaren – Ozias Filho

De schrijver, fotograaf en uitgever Ozias Filho werd geboren in Rio de Janeiro, maar woont al dertig jaar in het Portugese Cascais. Hij organiseerde tentoonstellingen en publiceerde zowel in Brazilië als in Portugal dichtbundels, essays en fotoboeken. Als uitgever werkt hij bij Edições Pasárgada en hij heeft een vaste column in de Braziliaanse literatuurkrant O Rascunho.

Kip zonder kop

Respectievelijk twee, drie, vijf en zes jaar oud waren mijn zusje, mijn twee broertjes en ikzelf, de oudste van het stel. Waar de een was, waren de anderen. Altijd samen, een bende piraten, politieagenten, brandweerlui, dokters en patiënten, superhelden of superschurken. Altijd met zijn vieren, bij welk nieuw en onverwacht avontuur dan ook van een vrije, wilde kindertijd.  

Wij hadden geen vriendjes nodig, we hadden genoeg aan onszelf. We vierden feest, waren blij en uitbundig, verzonnen spelletjes, duwden de schommel tot in de wolken, jatten fruit uit de tuin van de buren – het maakte allemaal deel uit van onze bende. De wereld, een ongefilterde wijde wereld, was van ons, maar soms leidde het leven ons naar deuren die we beter niet hadden kunnen openen.

Ik weet niet meer zo veel van wat we toen allemaal uithaalden, er zijn sindsdien te veel jaren verstreken. Wat ik wel weet, met de zekerheid van het kind dat ik nog in mij heb, is dat het een rijke, gulle tijd was. Misschien werkt het wel zo dat je de slechte dingen beter onthoudt dan de geluksmomenten. Pijn en verdriet blijven je nu eenmaal beter bij. Om die reden herinner ik me als de dag van gisteren de kip die haar kop verloor door een soort guillotine die mijn moeder in de keuken had liggen. Ik zie nu nog voor me hoe ze omhoog werd gegooid en net als alle vogels heftig met haar vleugels sloeg, maar op de grond viel en het op een wild en richtingloos rennen zette. 

Daar holde de kip zonder kop als een gek door onze achtertuin, struikelend over haar poten of over dingen die haar de weg versperden, en wij stomverbaasd over dat bloederige spektakelstuk achter haar aan, zonder te denken aan de dood. In onze kinderlijke onschuld, lang voor het internet en het teveel aan informatie en politieke correctheid, was de dood iets zonder betekenis, zoals in tekenfilms, want als daar iemand doodging kwam hij meteen daarna weer tot leven. 

De kip Patinha (die naam verzin ik nu, want ik weet niet meer hoe we haar toen noemden) was in die luttele seconden van haar eeuwigheid het doelwit van de euforie, catharsis en rituele juichlust van een kindertijd die slechts fragmentarisch voortleeft in mijn hoofd.

Gillend omsingelden we de arme dolende ziel, die niet zo vertwijfeld rende om ons van zich af te schudden, maar omdat ze zich in haar vezels nog de kop herinnerde die tot voor kort de loop van haar lot had bepaald.

Toen we sip bij het levenloze lijf op de harde aarde stonden, kwam voor ons de kater. De televisie loog dus, want Patinha keerde niet meer terug naar de wereld van de levenden.

De kip zonder kop belandde in de pan en op de borden van het avondeten. De honger had echter geen plaats in onze treurende maag, hoe karakteristiek die overigens ook was als hoofdgerecht aan de tafel van veel Braziliaanse gezinnen.

‘Ik heb geen honger, mama,’ zei mijn zusje dapper. Het is alsof ik haar nu nog hoor. ‘Mag ik weg?’ jengelde de uk.

‘Niet voor je bord helemaal leeg is! En ik wil van niemand nog een woord horen, is dat duidelijk?’ vonniste mijn moeder en smoorde zo alle mogelijke protesten. Ik geloof dat we die maaltijd nog altijd niet helemaal verteerd hebben.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.