Paulina Chiziane wint Prémio Camões

De Prémio Camões, de hoogste literaire onderscheiding in de Portugeestalige wereld, gaat dit jaar naar de Mozambikaanse Paulina Chiziane (Manjacaze 1955). Ze is de eerste romanschrijfster van haar land. Ventos do Apocalipse, uit 1995, waaruit hier twee fragmenten, gaat over de gruwelen van de burgeroorlog. Vanaf haar vierde boek, Niketche, richt ze zich met haar boeken vooral tot vrouwen. In dit boek is het thema traditie en polygamie, nog steeds actueel. Haar stijl is hier eenvoudig, rechttoe-rechtaan, anders dan in Apocalyptische wind, waar ze veel beeldender en indringender schrijft.

 

Apocalyptische wind

 

Luister naar de klachten die opstijgen uit mijn ziel. Kom, ga zitten in het bloed van de grassen dat van de bergen afstroomt, kom en luister, terwijl jullie vermoeide lijven uitrusten onder de vijgenboom die wenend rouwt om haar geaborteerde kinderen. Ik wil jullie verhalen uit heden, verleden en toekomst vertellen, want ik ben stokoud en jong, jonger dan alle kinderen en kleinkinderen die nog geboren moeten worden. Ik ben het noodlot. Het leven is ontkiemd en heeft gebloeid, en we zijn aan het eind van de cyclus gekomen. De cashewbomen hangen vol rijp fruit, het is oogsttijd, luister naar de klachten die opstijgen uit mijn ziel, karingana wa karingana.

            De wulk heeft geruisd, mama, ik zal naar de verhalen luisteren, zal naar de verhalen luisteren. Het gejuich was ginds te horen, net op tijd, mama, vertel me dat verhaal van de kikker en het konijn. De wulk heeft mijn trommelvlies doorboord, ik wil verhalen horen van verschrikking, oorlog en hongersnood. Vanavond leggen we een groot vuur aan, broer, kom, dan gaan we hout sprokkelen in het bos. Als de avond valt en de oudjes langzaam dansen, zullen wij genieten van de verhalenverteller en onze ouders tijd geven om ons het volgende jaargetijde een nieuw broertje te schenken.

(…)

 

(…)

Alles en iedereen slaapt. Zelfs de broze takken van de dunne bomen bewegen niet, ze hebben slaap. In het donker tekent zich een silhouet af, moe en verschrompeld, zwarter dan de kleur van houtskool. Sianga voelt een druk op zijn borst, hij krijgt geen lucht. Hij stapt uit de warmte van zijn bed en zoekt de koelte van de vroege ochtend op. Hij heeft geen longziekte, o nee, hij is veel te sterk om ziek te worden. Hij kijkt in alle windrichtingen. Ver weg aan de horizon wordt de zwarte deken weggetrokken. De frisse lucht verkwikt zijn van de slaap en nachtmerries gezwollen ogen. Met zijn rug tegen de stam van de grote vijgenboom opent Sianga zijn mond en tiert met een vertwijfeld gezicht: ‘Wat een nacht! Wat een vreselijke nachtmerries! Die verdomde dromen zijn de voorbode van dagen vol narigheid, dat zijn ze. Het vuur dooft, de rook trekt weg, het leven is slechts as en het duurt niet lang of er is geen stofje meer van over. Wat een nachten, wee mij!’

            Minosse wordt wakker en haar hand tast instinctief naar haar bedgenoot. Die is er niet. Waar zou hij naartoe zijn? Hij staat nooit vroeg op, een luierik is het, een nietsnut. Achter het huis is een zwakke stem te horen en ze moppert. Nee echt, wat is Sianga toch onvoorzichtig. Je doet de deur niet open voor een vreemde als de grond nog koud is, tovenarij gedijt het beste in het aardedonker. Ineens wordt ze ongerust. Misschien is er wel iets ergs gebeurd. Ze verlaat het bed en loopt naar de deur. Spitst haar oren. Drukt haar ogen tegen het raampje en probeert iets te zien. De hemel kleurt al wat lichter, het wordt dag. Sianga’s stem is duidelijk te horen, hij bidt wanhopig, praat met de doden.

 

Vertaling Harrie Lemmens

Foto’s Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.