Kinderjaren – Maria do Rosário Pedreira

Maria do Rosário Pedreira is de grande dame van de Portugese uitgeverswereld, waar ze sinds 1987 diverse functies heeft bekleed. Momenteel geeft ze mede leiding aan het grootste Portugese boekenconcern Leya. Behalve gedichten en fadoteksten (in 2020 verscheen bij uitgeverij Koppernik de tweetalige dichtbundel ‘Scherven’, gekozen en vertaald door Harrie Lemmens) schrijft ze ook columns, zoals deze, waarin ze terugblikt op haar kinderjaren:

Nu de belangrijkste verkeersaders van Lissabon onophoudelijk dichtslibben door de vele auto’s, bussen, motoren en tegenwoordig zelfs fietsen, is het moeilijk voorstelbaar dat er vijftig jaar geleden nog nauwelijks stoplichten waren. Toch was dat toen ik klein was zo – en ik kan me nog goed herinneren dat de allereerste geplaatst werden in de Avenidas Novas om, in de pompeuze termen van toen, een ‘groene golf’ te creëren. Het maakte het leven van voetgangers en automobilisten er uiteraard een stuk draaglijker op en zorgde voor een goede doorstroom, zodat de zijstraten en zelfs rustige achterafsteegjes kort daarna ook meegingen in de golf. Dat beroofde ons echter wel van de vriendelijke aanwijzingen van de verkeersagenten, die op de drukste kruispunten hoog op een sokkel driftig gebaarden in hun grijze uniform met witte bandelier en op hun hoofd een bobbyhelm.

De agent die wij vanaf ons balkon zagen was niet die ene die in terugblikken op het oude Lissabon vaak genoemd wordt als een ware balletdanser, maar zijn gebaren waren wel raak en verzorgd, hoewel – het moet gezegd – niet altijd onpartijdig… Ik zeg dat omdat hij duidelijk een zwak had voor mijn moeder: zodra hij haar in haar donkerblauwe Ford Cortina zag staan wachten om de Avenida da República over te steken, hield hij de stroom auto’s in de brede laan staande om haar door te laten, en zelfs als mijn moeder hem met een timide gebaar kenbaar maakte dat ze rechtsaf wilde, keek hij of hij iemand moest laten afremmen om haar vervolgens met een brede glimlach toestemming te geven de Avenida in te draaien. Het was een soort flirt binnen de grenzen van het toelaatbare en mijn moeder, die altijd van hot naar her jakkerde, plukte de vruchten van die platonische liefdesrelatie met het gezag. Zoals te doen gebruikelijk in die tijd bedankte ze hem met Kerstmis voor zijn verwennerij met een stol of een paar wafels.

Toen mijn oma van moederskant stierf, ik was acht, was mijn moeder behoorlijk aangeslagen en ging ze een paar dagen de deur niet uit – waar de verkeersagent vreemd van opkeek. De eerste keer dat ze de straat op ging, deed ze dat te voet en zo van de kaart dat ze op de hoek beduidde dat ze rechtsaf wilde. Hij gaf uiteraard aan dat ze door kon lopen, maar keek haar wel nieuwsgierig na. Pas toen merkte hij dat ze zware rouw droeg…

Toen hij haar twee dagen later weer zag opduiken achter het stuur van haar Cortina, hield hij het verkeer in alle richtingen staande en wenkte haar. Vervolgens stapte hij van zijn sokkel af, bukte met zijn helm tegen zijn borst aan voor het zijraampje van mijn moeders auto en betuigde haar liefdevol zijn medeleven.

In: stadskrant Mensagem de Lisboa, 18 mei 2021.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.