Nieuw licht op Fernando Pessoa

Door Ger Leppers

Ger Leppers, die eerder al in Zuca-Magazine zijn eerste bezoek aan Lissabon beschreef en lovende woorden wijdde aan de bundel De hyena, niet de hond, van ons aller Zuca Sardan, recenseerde voor het digitale platform www.deleesclubvanalles.nl  Pessoa’s De ontraadselaar en besprak daarbij ook onze Pessoa-special Menig een. Dat alles omkaderd door een ruimere uiteenzetting over het werk van de grote dichter. Met zijn toestemming nemen we dat mooie stuk hier over.

Lang was Portugal een verre en straatarme uithoek van Europa. Het buurland Spanje, weggestopt achter de Pyreneeën, was voor de doorsnee West-Europeaan al een afgelegen en exotisch land, waar de inwoners voor hun vertier aangewezen waren op dolende ridders en bloedige stierengevechten. Portugal lag dáár nog weer achter. Vrijwel heel Zuid-Europa grenst aan de Middellandse Zee en kende altijd een druk onderling krijgsgewoel en handelsverkeer. Alleen Portugal keek in een relatieve rust uit op de leegte van de Atlantische Oceaan – en wat er achter die immense watervlakte lag was lang een groot vraagteken. Men vermoedde dat zich daar de rand de wereld bevond, waar je van de aardschijf in een onbekende leegte kukelde. De twee pilaren die in Lissabon op het Terreiro do Paço aan weerszijden van de trap staan die de Taag in voert, zijn een architectonische vondst die de plaats van het land op de rand van ons continent mooi onderstreept.

Ondanks dat isolement heeft Portugal altijd een verrassend rijke en originele literatuur gehad. En het grootste wonder van die literatuur is dat in die uithoek van Europa, ver van alle culturele broedplaatsen en broeinesten, aan het begin van de vorige eeuw de onopvallende handelscorrespondent Fernando Pessoa werkte aan een gedurfd, volstrekt eigenzinnig oeuvre dat zijn gelijke niet heeft. Postuum werd hij er wereldberoemd mee. Weinig schrijvers worden geëerd met een standbeeld buiten hun land, maar een monumentale gebeeldhouwde kop van Pessoa siert al sedert jaren het Brusselse Flageyplein – en staat daarmee tegelijk in het Nederlandse en het Franse taalgebied.

De omvang van Pessoa’s oeuvre kwam pas aan het licht na de dood van de schrijver in november 1935. Uit de – inmiddels roemruchte – kist met zijn manuscripten kwam het ene na het andere meesterwerk tevoorschijn. Of beter nog: hele oeuvres werden erin aangetroffen, die tezamen een waar wonder vormen. Want wat Pessoa schreef was niet zozeer het werk van één schrijver als wel een hele literatuur. Deze ogenschijnlijke grijze muis had zichzelf opgesplitst in een veelheid aan auteurs: onder verschillende namen, zogeheten heteroniemen, schreef hij verschillende complete oeuvres, elk met een eigen karakter. 

Hier is het de plaats voor een belangrijke precisering. Iemand die onder pseudoniem publiceert, zoals Multatuli, Willem Elsschot of Havank dat deden, blijft zichzelf, maar geeft zijn boeken uit onder een schuilnaam. Een heteroniem daarentegen is, om het zo maar eens te zeggen, een soort turbo-versie van het pseudoniem: het is een afsplitsing van de schrijver, bedoeld als een afzonderlijke auteur met een eigen stijl, thematiek en (uiteraard verzonnen) biografie. Pessoa grossierde erin: de dichters Ricardo Reis, Alberto Caeiro en Alvaro de Campos zijn de meest bekende Pessoa-heteroniemen. Hun verschillende oeuvres kwamen uitgebreid aan bod in de eerste belangrijke publicatie die in Nederland aan zijn werk werd gewijd: de bundel Gedichten (1979), vertaald door August Willemsen.  

Maar deze drie dichters zijn, als je dat in dit verband zo mag zeggen, slechts het topje van een ijsberg. Onder het vele dat nog op die eerste vertaling volgde, moet vooral Het boek der rusteloosheid (1990, uitgebreide versie 2005) genoemd worden, een weergaloze bundel tekstfragmenten, zogenaamd geschreven door de hulpboekhouder Bernardo Soares, en in het Nederlands vertaald door Harrie Lemmens.  Als om de zaken, geheel volgens zijn gewoonte, nog wat ingewikkelder en tegelijk preciezer te maken, duidde Pessoa overigens Bernardo Soares, die wel erg veel gelijkenis met hemzelf vertoonde, aan met de subtiele omschrijving ‘semi-heteroniem’.

Sedertdien houdt de stroom Pessoa-uitgaven niet op. Dat blijkt nog maar eens uit twee nieuwe publicaties van uitgeverij Koppernik: het vijfde papieren nummer van Zuca-Magazine, het Nederlandse tijdschrift voor Portugeestalige literatuur, en De ontraadselaar, een keuze uit de speurdersverhalen die Pessoa schreef onder zijn eigen naam.

De nieuwe aflevering van Zuca-Magazine biedt een panoramisch overzicht van het werk van Pessoa: naast – uiteraard – gedichten bevat deze uitgave politieke en filosofische beschouwingen, losse aantekeningen, aforismen, brieven van en aan de schrijver en herinneringen van tijdgenoten, maar ook een rapsodische tekst van onze eigen Abdelkader Benali.

Het tijdschrift schenkt onder meer aandacht aan een kant van Pessoa’s talent die in ons taalgebied nog naar weinig aan bod kwam: diens toneelwerk. Dat is bescheiden van omvang. Het bestaat in hoofdzaak uit de eenakter De Zeevaarder, die ooit vertaald werd door Adri Boon, en twee onvoltooide toneelstukken, één over Salomé en één over Faust. Maar te oordelen naar de hier opgenomen fragmenten  gaat het hier om bijzonder en ongemeen boeiend materiaal.

Pessoa  was namelijk ook als toneelschrijver zijn tijd ver vooruit. Hij houdt, in een korte, maar zeer interessante en dwarse theoretische tekst, een bevlogen pleidooi voor wat hij noemt ‘statisch toneel’: “Ik noem statisch toneel dat toneel waarvan de dramatische verwikkeling geen handeling vormt – dat wil zeggen waarin de figuren niet alleen niet handelen, omdat ze zich niet verplaatsen en niet praten over het zich verplaatsen, maar niet eens zintuigen hebben die in staat zijn een handeling voort te brengen, waarin geen conflict is en al evenmin een afgeronde plot.” De definitie zou zowaar heel goed op het theater van Samuel Beckett kunnen slaan, wiens toneelstukken pas tientallen jaren later zijn geschreven. Met echter het belangrijke verschil dat Becketts personages – hoewel natuurlijk wel degelijk wortelend in filosofische tradities – uit het niets lijken op te doemen en in het niets lijken te verdwijnen, terwijl Pessoa niet schroomde in de beide hier genoemde stukken onderwerpen aan te vatten en personages op te voeren die diepgaand en al eeuwenlang met onze literatuur- en cultuurgeschiedenis verweven zijn, en wier wederwaardigheden in hun oorspronkelijke vorm nu juist overlopen van de actie. Met zo’n even hoog gegrepen als moeilijk realiseerbare – om niet te zeggen ronduit paradoxale en amper realistische – doelstelling is het niet verwonderlijk dat Pessoa in de uitvoering van zijn projecten is blijven steken. Maar de aanzetten ervan vormen voor de Pessoa-vorser een ware fundgrube.

Inertie, een door tegenstrijdige krachten, gedachten en besluiteloosheid gevoed onvermogen tot handelen, is een belangrijk thema bij Pessoa, waarover hij – alweer een paradox! – met grote energie schreef. Elders in Zuca-Magazine, in fragment 18 uit de Kroniek van een leven dat voorbijgaat, gewaagt de schrijver al van zijn ”afschuw (van) en ongeschiktheid voor daadkrachtig handelen en vastomlijnde gedachten. Nooit heb ik een zelfverkozen besluit genomen (…). Niets van wat ik schreef is ooit voltooid: er drongen zich altijd nieuwe gedachten op.” Maar in de kunst (net als in het echte leven trouwens) zijn sommige mislukkingen zeker zo interessant als geacheveerde werken, en de formidabele fragmenten die hier worden gepresenteerd smaken naar meer. Ze bevatten typische elegante Pessoa-overwegingen waarin de lezer keer op keer het tapijt onder de voeten wordt weggetrokken, zoals “Wát er gebeurd is weet niemand, want niemand weet wat er gebeurt als het gebeurt.” Het was, zet vertaler Harrie Lemmens in zijn toelichting uiteen, zelfs de bedoeling van de schrijver dat Faust, een subjectieve tragedie zou uitgroeien tot een tweede hoofdwerk binnen Pessoa’s oeuvre, naast Het boek der rusteloosheid. “Mijn geest vergaat onder het mystieke razen van het denken, van afgrijzen zonder pijn,” heet het. Het zou de moeite waard zijn alle toneelteksten van de auteur eens in een boekdeel bijeen te hebben. Wie er meer over wil weten kan nu al terecht bij het uitvoerige artikel ‘Theater Pessoa’ dat Adri Boon er ooit aan wijdde in het tijdschrift Bzzletin. Op internet is het gemakkelijk terug te vinden.

Maar niet alleen het toneelwerk is interessante kost voor de Pessoa-lezer. Datzelfde geldt niet minder voor de speurdersverhalen van de Portugees, waarvan vertaler Harrie Lemmens enkele bijeengebracht heeft in de bundel De ontraadselaar. Het gaat hier niet om een essentieel deel van Pessoa’s oeuvre, maar het genre, beoefend in de toenmaals gangbare vorm die we kennen uit de avonturen van Sherlock Holmes, Hercule Poirot, of bij ons te lande van de helden van Ivans, blijkt op een geheel eigen manier een kolfje naar Pessoa’s hand. Enerzijds is dat misschien verrassend: je zou niet snel van een dichter als Pessoa verwachten dat hij zich in dit frivole en bovendien aan tamelijk onverbiddelijke regels gebonden genre beweegt als een vis in het water. Aan de andere kant sluit de speurdersroman in de hier bedreven vorm goed aan bij Pessoa’s ontembare redeneer- en classificatiedrift. “Feiten zijn twijfelachtige zaken. Tegen argumenten is geen feit bestand,” meent dan ook Pessoa’s meesterspeurder “Abílio Fernando Quaresma, dokter zonder praktijk en puzzelaar, geboren in Tancos en overleden in New York in dit jaar 1930.”

Deze Abílio Quaresma was als speurder een geniale dilettant. Vier gevallen die hij tot een oplossing bracht zijn in deze bundel verzameld. In het eerste verhaal laat Pessoa zien dat het geen goed idee is om in het holst van de nacht in je eentje met een grote som geld en geheime tekeningen van een onderzeeër door obscure straatjes van Lissabon te lopen. Realistisch zijn de verhalen zeker niet. Maar de redeneringen waarmee Quaresma de zaken tot een oplossing brengt zijn bedwelmende aaneenschakelingen van intellectuele pirouettes. Voor wie in Pessoa geïnteresseerd is, ligt het belang van deze publicatie in de blik die het biedt op het mechanisme van de tot in de kleinste details en tegenwerpingen uitgewerkte analyses. Pessoa beoefent het speurdersverhaal niet als iemand die de vereisten ervan serieus neemt, maar benut het als een amusante mogelijkheid tot gedachtenexperimenten, en in deze puzzelachtige gedaante past het genre wonderwel bij zijn rusteloze redeneerdrift. Voor actie moet u – net zoals dat het geval was met het toneelwerk – bij andere schrijvers zijn. Quaresma komt nauwelijks van zijn plaats, en net als zijn geestelijke vader drinkt hij maar al te graag een stevig glas om zijn associatievermogen te stimuleren. En er mogen dan criminelen in deze verhalen voorkomen, er valt geen onvertogen woord. Wanneer de misdadiger een heer van stand is, slaat hij na zijn ontmaskering onverwijld de hand aan zichzelf, omdat hij als een echte gentleman niet kan leven met een dergelijke smet op zijn blazoen. En zo hoort het natuurlijk ook – eigenlijk.

Zoals gezegd, binnen Pessoa’s werk zijn deze verhalen van secundair belang. Maar bij een groot schrijver voegen ook mindere werken vaak een interessante context toe aan de hoofdwerken – en deze verhalen, zijn met hun ouderwetse charme, zeer onderhoudend.

Naast deze twee uitgaven verscheen er in het afgelopen jaar bij uitgeverij Van Oorschot ook nog Kroniek van een leven dat voorbijgaat, een mooie bloemlezing van uit verschillende bronnen afkomstige autobiografische teksten en fragmenten,  met zorg en liefde gekozen, gerangschikt en vertaald door onze nationale Pessoa-gepromoveerde, Michaël Stoker, die daarvoor dezer dagen genomineerd werd voor de Filter-vertaalprijs. Ook deze uitgave is een zeer welkome aanvulling op de bestaande Pessoa-vertalingen. Wat je ook van 2020 kunt zeggen, het was voor Nederland een rijk Pessoa-jaar.

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.