De andere kant van de zee – Audio

António Lobo Antunes is een schrijver naar wie je vooral moet luisteren onder het lezen. Om dat te illustreren, om te laten horen hoe het klinkt hebben wij de Nijmeegse actrice Linda Willems gevraagd het openingsfragment van De andere kant van de zee hardop te lezen, en van die opname hebben we een Youtube-filmpje gemaakt met beelden van Ana Carvalho.

Linda Willems (1957 Schalkhaar) is (trainings)acteur, theatermaker, trainer en zangeres met een voorliefde voor sociale thema’s en taal. Ze speelde bij diverse theatergezelschappen in het Oosten van het land, onder andere in stukken van Hugo Claus en Harold Pinter. Ze regisseert amateur theatergezelschappen en schrijft daarvoor ook teksten. Momenteel werkt ze aan een boek en een voorstelling over haar moeder.

Over het voorlezen van De andere kant van de zee schreef ze ons: ‘Lobo Antunes voorlezen dwingt me te onderzoeken wat de schrijver precies bedoelt en de tekst te lezen, te lezen en te herlezen. De poëzie van de taal en de verschillende perspectieven maken het een prachtige creatieve puzzeltocht.’

Luistert u via haar stem mee naar António Lobo Antunes in dit Youtube-filmpje. De tekst van het fragment vindt u onder de foto.

Natuurlijk bestaat het huis niet meer, als je een soort keet al een huis kunt noemen, heel zeker bestaat dat niet meer, hooguit nog wat kapotte dakpannen en bakstenen op de grond, de kleine groentetuin overwoekerd door riet en doornstruiken, het muurtje van holle stenen half ingestort en daarachter agaven en verder omlaag de zee, ’s nachts zo vreemd, niets met alleen wat lichtjes van boten die in het luchtledige hangen, en de zekerheid dat ik mijn hand maar hoef uit te steken om ze te pakken, Domingas

‘Hang de lichtjes maar terug voor de soep koud wordt’

en ik vond het gek dat mijn vingers droog uit het water kwamen, nee echt, ik ben jaren geleden hierheen gekomen, maar toch ben ik nooit weggegaan uit de plaatsen waar ik gewoond heb, of anders zijn die altijd bij me gebleven, ik hoor de mispelboom, ik hoor het fluiten van het gras, Domingas tegen mij

‘Pas op het waait menina pas op het waait’

en ik luisterde en ik zag, net zoals ik het water bij eb, vol tanden in zijn stem, met zijn mouw het riet en de algen terug hoor halen van het strand, de golven hebben zoveel zakken, soms een scheve krab in de tuin, niet alleen maar onbeholpen, nee scheef zoals hij de hoge hakken van zijn poten moeizaam een voor een vooruit zet met de monsterlijke traagheid van een dier dat denkt dat het groot is ook al is het klein, terwijl vlak boven hem een uitgehongerde blauwwitte meeuw krijst die Domingas, half wiebelend op haar slippers, probeert weg te jagen met de spinnenkop, ik herinner me grotere huizen dan dat van ons

(alle huizen waren groter dan dat van ons, wij waren het armst)

tot aan de pijnbomen langs de weg die in september, als dag en nacht even lang duren, onafgebroken kraken als protesterende dekenkisten, in het tweede huis, met een tuintje eromheen, van de mevrouw bij wie Domingas ook werkte, het beeldje van een pijp rokende kikker en ’s zaterdags tuinstoelen onder een luifel die praatten en praatten, een strohoed met als versiering plastic kersen, waarvan er een hing te bungelen, zag mij

‘Is dat die ene uit Afrika?’

en de mevrouw met een fluisterstem waar een zucht in lag

‘Ze praat niet heeft haar tong ingeslikt geeft geen kik’

terwijl ze haar blouse rechttrok, en ik die uit Afrika kom zwijg, want zelfs in Portugal begint de katoen uit Cassanje zachtjes te ritselen en mijn vader slaat op de veranda met zijn zweep op de nijlpaardschedel en loopt de trap af naar de jeep, gevolgd door de zwarte man met een geweer die hem altijd vergezelde en waar hij niet eens naar keek, soms vraag ik me af of hij hem wel zag, hij sprong met zijn geweer op de achterbank en ze verdwenen op het pad dat tussen mangobomen door naar de poort leidde, ik herinner me het geblaf van de honden in hun kooi, de honden die ’s nachts werden losgelaten, herinner me mijn moeder die zich in haar nachthemd met ruches zat te kammen, ik dacht dat ze kort haar had, maar dat werd ineens door de eindeloosheid van haar gebaren onmetelijk lang, de witte heuvels rondom waar soms honderden mandrils achter ons aan renden met die ogen vlak boven de snuit, bijna tegen elkaar aan, en de geur van de aarde, vooral de geur van de aarde, die van de zee interesseert me niet, dat is een rivier, alleen heeft hij maar één oever, en het stemt me triest als ik bomen in het water zie staan zonder vogels op hun takken, met een hart dat als een razende tekeergaat in hun hals, Domingas

‘Als we teruggaan naar Angola’

terwijl ze weet dat we nooit meer teruggaan naar Angola (…)

Vertaling Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.