De man van de dromen – Mário de Sá-Carneiro

Ter gelegenheid van de Week van het korte verhaal, een initiatief van Linnaeus Boekhandel te Amsterdam, publiceren we het korte verhaal ‘O homem dos sonhos’ van Mário de Sá-Carneiro, afkomstig uit de bundel Céu em Fogo uit 1915. De foto’s komen uit de op Fernando Pessoa gebaseerde reeks Onmogelijke landschappen van Ana Carvalho.

Zijn naam heb ik nooit gekend. Ik geloof dat hij Rus was, maar dat weet ik niet zeker. Ik heb hem leren kennen in Parijs, in een groezelig restaurant aan de Boul’Mich, in mijn tijd van gesjeesde student medicijnen.

We aten ’s avonds altijd aan dezelfde tafel, zodat we op zekere dag bijna vanzelf aan de praat raakten.

Hij was bijzonder origineel en uitermate boeiend, hield er bizarre opvattingen en vreemde ideeën op na – zoals ook zijn woorden vreemd en zijn gebaren extravagant waren. Die man leek mij een mysterie. Ik had me niet vergist, merkte ik later, want hij was gelukkig. Ik overdrijf niet, nee, hij was werkelijk compleet gelukkig – zo gelukkig dat niets of niemand zijn geluk om zeep zou kunnen helpen. Ik zeg zelfs altijd tegen mijn vrienden dat het opvallendste feit van mijn leven is, dat ik een gelukkig iemand heb gekend.

Het mysterie drong ik binnen op een regenachtige avond – een pikdonkere, ijskoude avond. Ik zat te vloeken op het leven, en op een toon die ik niet van hem gewend was, viel hij mij bij: ‘U hebt gelijk, u hebt volkomen gelijk! Dit leven is een ramp – zo verschrikkelijk dat het niet mooi kán worden! Neem bijvoorbeeld een man die alles heeft: een goede gezondheid, geld, roem en liefde. Hij kan gewoon niets meer wensen, want hij bezit alles wat er aan fraais bestaat. Hij heeft de hoogste vorm van geluk bereikt, en het is een arme donder. Want bestaat er iets ellendigers dan niets meer te wensen hebben…?

En geloof maar dat er niet veel nodig is om die ellendige staat te bereiken. Het leven bevat in wezen o zo weinig dingen, het is zo weinig gevarieerd… Kijk maar, overal, op alle vlakken. Vertelt u me maar eens of u nog niet misselijk bent van alle gerechten die u sinds uw geboorte voorgeschoteld krijgt? Dat bent u, natuurlijk, het kan niet anders; maar u hebt uw bord nooit weggeschoven, omdat u een mens bent en het leven niet kunt en niet weet te beheersen. Haal de beste koks bij elkaar. Ze zullen u allemaal groenten en vlees voorzetten – een half dozijn plantensoorten, een half dozijn diersoorten. En dan nog, wat op aarde niet dierlijk of plantaardig is, kan alleen nog maar mineraal zijn… Hetgeen onomstotelijk de immense armoe van de natuur bewijst!

En onze gevoelens? Noem er mij een dat uiteindelijk niet herleidbaar is tot liefde of haat, een van de twee. En onze gewaarwordingen? Eveneens twee: vreugde en verdriet. Nee heus, in het leven gaat alles paarsgewijs, net als de geslachten. À propos, weet u iets wanhopigers dan het feit dat er maar twee geslachten bestaan?

Maar om terug te keren tot het materiële vlak, noem mij één vermaak dat buiten de religie, de kunst, het toneel of de sport valt. Dat kunt u niet, dat kan ik u verzekeren.

Het beste dat het leven te bieden heeft is beweging, want als je loopt met een snelheid gelijk aan die van de tijd, vergeet je die. Een rijdende trein is een tijdvreter – en daarom het mooiste wat de mens ooit heeft uitgevonden.

Reizen is de beweging beleven. Maar na even reizen word je alweer overvallen, geeuwend overvallen door het eeuwige gevoel van aardse saaiheid. Overal hetzelfde decor, dezelfde accessoires: bergen of vlakten, zeeën of weiden en bossen  dezelfde kleuren: blauw, groen en sepia – en, in de poolstreken een eindeloos verblindend wit, wel het toppunt van saaiheid. Ik heb ooit een vriend gehad die zich van kant heeft gemaakt omdat hij geen andere kleuren, geen andere landschappen kon leren kennen naast de bestaande. En ik had in zijn plaats precies hetzelfde gedaan.’

Ik glimlachte en merkte ironisch op: ‘Maar u hebt het niet gedaan…’

  ‘Waar ziet u mij voor aan, zeg…? Ik kén andere kleuren, ik kén andere vergezichten. Ik ken wat ik maar wil! Ik heb wat ik maar wil!’

Zijn vreemde blauwe ogen schoten vuur; hij boog verder naar voren en brulde: ‘Ik ben niet als de anderen. Ik ben gelukkig, begrijp me goed, ik ben com-pleet gelukkig!’

Zijn gedrag was zo zonderling, zo bijzonder de klank van zijn stem, dat ik dacht dat ik naar een gek aan het luisteren was en een eindeloos verlangen voelde om op te stappen. Maar ik zag er geen kans toe. Ik moest blijven, en vanaf dat moment deed de bizarre man mij zonder enige terughoudendheid de volgende opvallende bekentenis: ‘Ja, het is echt zo. Ik ben compleet gelukkig. Mijn geheim heb ik nooit tegen iemand verteld. Maar nu, waarom weet ik niet, ga ik het u vertellen. O, dacht u heus dat ik in dat ene geval zou doorleven…? Lage dunk heeft u van mij! Ik dacht dat u me hoger aansloeg. Als ik dat had gedaan, zou ik er al al lang geleden aan bezweken zijn. Mijn trots is ontembaar, en het vervelendste wat er is, is het leven leven. Ik blijf het herhalen: het menselijk leven is een onding — geen greintje afwisseling, geen greintje originaliteit. Ik vergelijk het altijd met de kaart van een restaurant waar de gerechten altijd hetzelfde zijn, er hetzelfde uitzien, hetzelfde smaken.

Nu goed! Mij is het gelukt variatie aan te brengen in het bestaan – en dan bedoel ik dag in dag uit. Ik heb niet alleen alles wat er ís, ik heb ook alles wat níet bestaat, begrijpt u? (Alleen wat niet bestaat is trouwens mooi.) Ik beleef momenten die nooit iemand heeft meegemaakt, momenten gemaakt door mijzelf, gevoelens geschapen door mijzelf, wellustigheden die enkel en alleen van mij zijn – en ik reis door verre landen, door geheimzinnige naties die voor mij bestaan, niet omdat ik ze ontdekt heb, maar omdat ik ze heb gesticht. Want ik sticht en vestig alles. Ooit zal ik zelfs het ideaal vestigen – ik bedoel niet dat ik het bereik, nee, veel meer, ik máák het. En ik zie het al fantastisch voor me… heerlijk rank … heerlijk rank… verdwijnend in een blauwe hoogte… gehouwen in overwinning… stralend als goud, of nee, niet als goud maar als een metaal dat meer goud is dan goud zelf…

Overigens zult u begrijpen dat mij woorden tekortschieten om de schitterende dingen die niet bestaan te beschrijven… O, het ideaal… het ideaal… Vannacht ga ik erover dromen… Want het is in mijn dromen dat ik alles beleef. Begrijpt u? Ik heb de dromen getemd. Ik droom wat ik wil. Ik beleef wat ik wil.

De fantastische reizen die ik heb gemaakt. Ik zal u over een paar vertellen… De mooiste is de volgende, omdat het ook de vreselijkste was: Ik had genoeg van het licht. Alle landen waar ik doorgetrokken was, alle decors die ik aanschouwd had, werden overspoeld door het daglicht, en ’s nachts door dat van de sterren. Wat vond ik dat eeuwige licht vervelend, dat onuitstaanbare licht, dat nooit veranderde en altijd maar het mysterie van de dingen weghaalde… Dus vertrok ik naar een onbekend land, verloren in een buitenwerkelijke wereld, waar steden en bossen onafgebroken in de diepste duisternis gehuld liggen… Er zijn geen woorden voor de schoonheid die ik ervoer in die bijzondere streek. Want ik zag het donker. Waarschijnlijk kunt u dat niet bevatten, zoals niemand dat kan…

Het was een immense hoofdstad… De boulevards waaierden breed uit, altijd stijgend en omzoomd door grote bomen; de mensenmenigte stapte er zwijgend op voort en het verkeer — trams, omnibussen, automobielen – bewoog onder stil gedreun heen en weer als de slinger van een uurwerk. En heel die stilte verenigde zich tot muziek. O, wat voelde ik een heerlijk nieuwe siddering door mijn vervluchtigde lijf lopen! Voor mijn ogen ontvouwde zich een geheimzinnig leven, geheimzinnig omdat het niet beschenen werd door het licht…! Een angstwekkend en verheven schouwspel! Ik zag het donker…! Ik zag het donker…! Teruggetrokken in een afgelegen steegje zag ik twee geliefden die elkaar hartstochtelijk kusten. Ach, wat moeten die felle zoenen daar in het opperste donker van de diepste duisternis grandioos zijn geweest…! Verderop stuitte ik op een bloederig tafereel: er werd met stiletto’s gezwaaid, kreten van pijn klonken op… Nooit heb ik bangere ogenblikken doorstaan… En buiten de stad de zwaar met druiven behangen wijngaarden, het rijpe graan, de korenvelden en de fruitbomen waar de wind doorheen speelde… heel het leven, kortom, heel het leven in ondoordringbare duisternis… Wat een triomf! Wat een triomf…!

Maar nog groter misschien was de glorie die ik bereikte op mijn reis naar een volmaakte wereld, waar niet slechts twee geslachten bestaan… Ik kon daar hele doolhoven zien van verstrengelde lichamen die elkaar bezaten in een onafgebroken keten van liefdesschokken, steeds maar weer, als een langgerekte fuga… Eindeloos! Eindeloos! Het was de vlammend rode dageraadscantate van het vlees, de sublieme partituur van de wellust die trillend en wervelend door al die verschillende geslachten raasde… Het leven dat in golven voorbijgleed… het leven dat in golven voorbijgleed…!

U al mijn reizen vertellen zou onmogelijk zijn. Toch is er een die ik u niet wil onthouden.

Wat een vreemd land was dat… Helemaal van een kleur die ik u niet kan beschrijven omdat ze niet bestaat – van een kleur die geen kleur was. En let op waarin zijn grootste schoonheid school. De atmosfeer van die wereld werd niet gevormd door de lucht of een ander soort gas – nee, het was geen atmosfeer maar muziek. In dat land ademde men muziek. Maar het meest bizar waren nog wel de mensen die er woonden. Ze hadden lichaam en ziel, net als wij hier. Alleen was wat zichtbaar was, wat welbepaald en werkelijk was – was dat de ziel. De lichamen waren onzichtbaar, onbekend en mysterieus, zoals onze zielen onzichtbaar, onbekend en mysterieus zijn. Misschien bestonden ze niet eens, net zoals ook onze zielen misschien niet bestaan…

O, wat heb ik een goddelijke gewaarwordingen beleefd in dat land…! Mijn geest dijde uit… Ik heb ervaren het onbegrijpelijke te begrijpen… Misschien ga ik er nog een keer terug naar toe, naar dat weergaloze land, dat Zielenland…

Kortom, beste vriend, ik reis waarheen ik wil. Voor mij zijn er altijd weer nieuwe panorama’s. Als ik bergen wil hebben, hoef ik niet naar Zwitserland; ik ga naar andere streken, waar de bergen hoger zijn, de gletsjers schitterender. Voor mij is er een eindeloze reeks bergdecors, allemaal verschillend, zoals er ook zeeën zijn die geen zeeën zijn en uitgestrekte weidsheden die geen bergen of vlakten zijn, die iets mooiers, hogers of vlakkers – enfin, iets gevoeligers zijn! Voor mij heeft de wereld zichzelf ingehaald: ze is een heelal geworden, maar dan een heelal dat onophoudelijk groeit, dat zich onophoudelijk uitbreidt. Dat wil zeggen, het is niet echt een heelal; het is iets meer.

Op geestelijk vlak bestaan er evenmin barrières voor mij – en naast liefde en haat heb ik andere gevoelens gekend, die ik u uiteraard niet kan beschrijven omdat ik ze als enige heb gehad, zodat het onmogelijk is ze u door woorden of vergelijkingen begrijpelijk te maken. Ik ben de enige man die bewogen wordt door die gevoelens. Het zou dus volstrekt overbodig zijn een stem te hebben die ze vertaalt, aangezien die er met niemand over zou kunnen praten. Hetzelfde gebeurt trouwens met de mooiste momenten die ik heb meegemaakt. Ik kan u alleen over die vertellen welke heel in de verte lijken op momenten uit het leven en juist daarom de minst wonderbaarlijke zijn.

Nu zal ik u een paar nieuwe vormen van wellust schetsen.

Een vrouwenlichaam is ongetwijfeld een schitterend iets – het bezit van een prachtig, geheel naakt lichaam is een welhaast bovenmenselijk, gedroomd genot. O, het vurige mysterie van onder kussen bedolven borsten, en de blonde tepels die in marmeren extase langs je vlees strijken… de nerveuze, klemmende benen – verre vibraties van een keizerlijke orgie… de lippen die gebeeldhouwd waren om uit liefde te verwonden… de tanden die knarsen en bijten tijdens de bovenaardse schokken… Ja, dat is mooi; dat is allemaal erg mooi! Maar het ellendige is dat er maar zo weinig manieren zijn om die schoonheid te bezitten. Hoezeer de lijven zich ook wringend verstrengelen, hoeveel begerige kussen er ook op het vlees worden gedrukt, ja zelfs al vloeit er bloed… uiteindelijk zullen de twee geslachten elkaar strelen, zich met elkaar verenigen, elkaar verslinden – en alles zal eindigen met een schok die altijd dezelfde zal zijn, aangezien die altijd in dezelfde organen zetelt…!

Nu goed! Ik heb vrouwen bezeten op duizend andere manieren, heb in vervoering andere schokken gevoeld die in andere organen zetelen.

O, wat is het verrukkelijk te bezitten met je ogen… Je vlees raakt niet eens lichtjes het vlees van de naakte minnares. Je ogen, alleen je ogen zuigen op haar mond en bijten in haar borsten… Een kolkende rivier stort omlaag door je aderen, je zenuwen trillen als de snaren van een lier, de haren voelen, de spieren rekken uit… en vanuit de verte, al kijkende, putten je ogen die schoonheid uit, totdat tenslotte je zicht uitdijt, je hele lichaam ziet, een huivering door je heen trekt en een eindeloze schok, een schaduwschok, je vlees splijt in opperste begeerte… Je hebt het hoogste genot bereikt! Je hebt een vrouwenlichaam bezeten enkel door je blik. Je hebt fysiek, maar immaterieel bezeten, zoals je ook kunt beminnen met de ziel. In dat geval zijn de schokken die je in de afgrond slingeren zoeter, serener, maar niet minder verrukkelijk.

Ik wil er u nog een noemen, omdat het zo’n interessante is: dat is het volledig bezitten van een vrouwenlichaam dat louter en alleen smaakt naar een borst die je kneedt.

Enfin, beste vriend, begrijp me goed: Ik ben compleet gelukkig omdat ik alles heb wat ik wil, en omdat ik nooit door datgene wat ik wil heen zal raken. Ik heb het heelal oneindig kunnen maken – het heelal dat iedereen wel oneindig noemt, maar dat voor iedereen een smal, goed ommuurd terrein is.’

Er viel een lange stilte. Een tyfoon gierde door mijn brein, en de fantastische beelden die de onbekende mij had opgeroepen tolden razend rond, terwijl ze zich in tastbaarder trekken leken te willen vertalen. Maar zodra ze bijna vaste vormen aannamen, spatten ze als zeepbellen uiteen…

De man zei nog: ‘Het leven is een gemeenplaats. Ik heb die gemeenplaats weten te vermijden. Dat is alles.’

En hij bestelde cognac.

Twee dagen zag ik hem niet. Toen ik hem opnieuw aan de tafel in het restaurant trof, merkte ik dat hij een andere uitdrukking op zijn gezicht had. Hij bekende me: ‘Ik ken het ideaal nu. Uiteindelijk is het toch minder mooi dan ik dacht.. En u, nog iets gebeurd?’

We praatten over koetjes en kalfjes. Ik wilde het gesprek nog op zijn gedroomde leven brengen, maar al mijn pogingen mislukten.

We gingen weg. Hij liep met me mee tot bij mij. Wenste me welterusten. Daarna heb ik hem nooit meer gezien.

Ik heb lang nagedacht over die vreemde man: maandenlang leefde ik in de ban van zijn herinnering. Ik wilde ook over mijn dromen heersen en zocht naar het geheim. Maar tevergeefs. Het is me nooit gelukt en na enige tijd gaf ik die gouden hersenschim op.

Sindsdien heb ik als een waanzinnige geprobeerd licht te werpen op het wonderlijke mysterie, al was het maar schemerig licht.

En op een dag, een triomfantelijke dag, dacht ik eindelijk dat ik het wist.

Wie was die man eigenlijk? Een en al geheim! Geheim! Ik wist zo goed als niets van hem. Vaak was hij met me meegelopen naar huis – waar hij zelf woonde heb ik nooit geweten. Hij had mij een Rus geleken; maar dat had ik nooit uit zijn mond gehoord.

Lang, extreem lang en broodmager. Lange krullerige haren, van een triest, vluchtig blond; en zijn fantastisch blauwe ogen, ongetwijfeld de vreemdste ogen die mij ooit toegestraald hebben. Ik kan ze slechts op de volgende incoherente manier voor u oproepen: ze hadden een vlammende glans – maar ze glansden niet.

Zijn huiveringwekkende stem, die gedempt en sonoor klonk, leek uit een onechte keel te komen, een keel die niet bestond in zijn lichaam. Als hij opstond en liep, wekten zijn soepele, stille, grote passen de indruk dat zijn voeten de grond niet raakten; zijn tred was onbepaald en – ziehier het meest bizarre – ook zijn trekken waren onbepaald en wazig. Zijn gelaatstrekken lagen niet vast, zou je bijna kunnen zeggen, en het was praktisch onmogelijk ze in hun geheel te vangen: een groot schilder zou werkelijk moeite hebben het beweeglijke gezicht van de man van de dromen op het doek vast te leggen. Ook al had je hem lange uren voor je, je leerde hem toch niet kennen.

Enfin, uit zijn gezicht, zijn manier van lopen, zijn gebaren, zijn stem bleef deze indruk over: de onbekende was een mistig, onbepaald, vaag, onwerkelijk figuur.. Een droomwezen! – schoot ineens als een bliksemschicht door mijn hoofd. Ja, hij was volkomen vergelijkbaar met de personages die in je dromen verschijnen en die je je ’s morgens nooit duidelijk voor de geest kunt halen, hoezeer je je ook inspant, omdat je details van hun tekening mist: als je de ogen nog weet, ben je de uitdrukking op de mond vergeten; als je je herinnert dat hij bruine haren had, ben je de fantastische tint van zijn ogen kwijt. Kortom, je kunt met geen mogelijkheid het geheel reconstrueren van het onduidelijke personage dat je in je droom hebt gezien. Zijn trekken ontglippen je — precies zoals de trekken van de bizarre man mij ontglipten.

Ik bedoel: de wonderlijke onbekende was een droomfiguur – en desondanks een werkelijk iemand.

Maar net toen ik in mijn ijdelheid meende dat ik enige helderheid in de zaak had gebracht, sloeg het wonderbaarlijke geheim om in een idee-fixe. Ik dacht bijna dat ik gek werd, en God weet wat er met mijn arme brein, waar de vleugel van het mysterie langs gestreken was, gebeurd zou zijn als ik er ten slotte niet in geslaagd was dieper in de blauwe afgrond te duiken: als de man van de dromen een droomfiguur was, maar tegelijkertijd een reëel iemand – dan moest hij een werkelijk leven leiden. Ons leven, mijn leven, het leven van ons allemaal? Dat kon niet. Hij had me zelf verteld dat hij niet tegen dat afgrijselijke bestaan kon. Bovendien was zijn houding in dat bestaan die van een droomfiguur. Ja, van een onwerkelijk figuur, onduidelijk, met irreële en onduidelijke trekken. Dus leidde de wonderbaarlijke onbekende niet ons leven. Maar als hij dat niet leidde en er toch vaag in verscheen, kwam dat doordat hij het droomde.

En ziedaar hoe ik een glimp opving van het oneindige. De vreemde man droomde het leven, leefde de droom. Wij beleven wat bestaat; van mooie dingen kunnen wij alleen maar dromen. Maar hij niet. Hij had de werkelijkheid vernietigd, haar veroordeeld tot de droom. En hij leefde het onwerkelijke.

Verhersenschimd opdwarrelend stof…

Gouden vleugels! Gouden vleugels…!

Parijs, maart 1913

Vertaling: Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.