Kinderjaren – Ana Pessoa

Ana Pessoa (Lissabon, 1982) begon al op jonge leeftijd met het schrijven van verhalen, waarmee ze diverse aanmoedigingsprijzen voor jong talent won. Sinds enkele jaren is ze overgestapt op het schrijven van boeken voor jongvolwassenen, die eveneens veelvuldig worden bekroond in binnen- en buitenland en inmiddels zijn vertaald in Brazilië, Mexico en Colombia. 

Ana Pessoa woont in Brussel en houdt sinds 2007 een blog bij: Belgavista. De Nederlandse vertaling van haar boek Mary John verschijnt in januari 2021.

Onderstaand fragment komt uit de tekst die ze instuurde voor de wedstrijd Jovem Criador van de stad Aveiro in 2010.

We mochten nooit

We mochten nooit met zijn dertienen aan tafel zitten van tante Lucia, die altijd erg moest huilen wanneer de rook in haar ogen kwam, een dichte troosteloze rook zoals de rook die uit de schoorsteen van het crematorium komt, haar hand altijd vlakbij haar mond, een doorschijnende slanke hand, haar sigaret omhoog gericht als de schoorsteen van het crematorium, terwijl de as op de keukenvloer viel, op haar schoot, overal, mijn ogen omhoog gericht als de sigaretten van tante Lucia en grootvader die erboven hing als een wolk, als een gedaante, als een echt persoon, terwijl de vrienden uit Afrika verhalen vertelden over Afrika, de olifant die de acacia’s vernielde, oom Paul die wegen aanlegde, de gazelle die nicht Rita een lik gaf, de vrienden uit Afrika die lachten om de verhalen over Afrika, het leven in Afrika, met hun rug naar grootvader die als door een wonder ten hemel rees, verhalen over Afrika die ik niet hoorde omdat ik niets wilde weten van Afrika, rode ogen van het huilen, geluidloos huilen alsof het wat anders was, het gezicht van tante Lucia dat net zo glom als de pannen en de tegels, ik in het deurgat naar de keuken met de borden van de kinderen, het bestek op een hoopje, het gewicht van alles in mijn armen, zonder te weten wat ik moest zeggen, ik weet nooit wat ik moet zeggen, en tante Lucia die huilde vanwege de rook die erboven hing als een wolk, als een gedaante, als een echt persoon, en we mochten nooit met zijn dertienen aan tafel zitten, daarom bleef ik aan de kindertafel zitten, ook al was ik geen kind meer, ook al was ik nooit een kind geweest, omdat ik als oude vrouw ben geboren in een klein lichaam, omdat ik van nature talent heb om oud en lelijk te zijn als de boze heks, terwijl de andere, nog heel kleine neefjes en nichtjes knoeiden aan tafel, de spaghetti kneedden met hun vingers zonder dat hun ouders het in de gaten hadden, druk als ze waren met het eten en de gesprekken aan tafel, de verhalen over Afrika, grootvader aan het hoofd van de tafel met zijn armen wijd als het Christusbeeld, imposant als het Christusbeeld, verlicht als het Christusbeeld, en ik loop op de Avenida Marginal om vijf uur ’s ochtends en zie het Christusbeeld naar me kijken, Jezus Christus die alles weet, alles begrijpt, alles vergeeft, het Christusbeeld dat ik nooit heb bezocht, zelfs niet toen ik nog in God geloofde en in meer van dat soort types, het Christusbeeld met zijn armen wijd voor mij en ik denk aan hoe ik Lissabon nooit heb gezien vanuit het perspectief  van het Christusbeeld, aan hoe ik de eettafel nooit heb gezien vanuit het perspectief van grootvader, de kinderen, de schoondochters, de schoonzonen, de kleinkinderen, de familie op een rij als tinnen soldaatjes en grootmoeder ernaast, haar rossige haar altijd keurig in een knotje, haar handen die de glazen rangschikken alsof ze iets anders rangschikken, de fles schuimwijn erbij en het tafelstuk van tante Clara, altijd de tafelstukken van tante Clara, de oudste zoon aan het andere eind van de tafel, die over zijn baard wrijft als iemand die in gedachten verzonken is, zo stil, zo in zichzelf gekeerd, wonderbaarlijk toch dat men zijn eigen kinderen niet kent, de oudste kleinzoon links van hem, die op de motor komt om er in zijn eentje vandoor te kunnen gaan, met een foeilelijke glimlach vanwege de spleten tussen zijn tanden, net als die van tante Lucia, en naast de oudste zoon weer een kleindochter, het lievelingskleinkind, met een natuurtalent voor kunst, een hoofd dat beweegt als dat van een vogel, een neus zo lang als de snavel van een vogel, kleine handen als vleugels, net als die van haar moeder, en daarnaast de schoonzoon met de vierkante bril, met het gezicht van een tv-presentator, met het gezicht van iemand die het economiekatern van de kranten leest en elke dag een glas sinaasappelsap drinkt, met het gezicht van iemand die zijn wenkbrauwen verzorgt en de biefstukjes van zijn kinderen snijdt, maar dat is een leugen, want ik ben degene die de biefstukjes van de kinderen snijdt, zijn knieën tegen het tafelblad, zijn rug gebogen, vastgeplakt aan de tafel waar wordt gepraat over de verantwoordelijkheid van de banken voor de financiële crisis, oom Jorge die opeens in lachen uitbarst, schaterlachen, in zijn eentje, alsof hij het publiek is en de anderen het circus, alsof hij het circus is en de anderen het publiek, grootvader in zijn nopjes met de opmerkingen van zijn jongste dochter over de staat, een stiekeme communiste die op de schoot van haar man zit alsof ze zijn dochter is, en ik aan de kindertafel alsof ik een kind ben, die de biefstukjes van de kleine neefjes en nichtjes snijdt alsof ze iets anders snijdt, die Bernardo tot de orde roept omdat hij in de spaghetti zit met zijn vingers, en dit omdat we nooit met zijn dertienen aan tafel mochten zitten en ik precies nummer dertien was in de familie, ondanks het feit dat ik het oudst en het meest versleten ben van allemaal, meer nog dan mijn grootvader, die de eerste was, de allereerste, de belangrijkste, met wie alles begon, en nu is mijn grootvader dood en is er geen begin voor de dagen, grootvader is dood en ik zal niet de eerste kleindochter zijn, ik zal de laatste kleindochter zijn die arriveert, ik loop nu over de Avenida da Marginal en ik heb niet echt haast, ik voel niet echt verdriet, ik denk aan de eettafel die nooit meer dezelfde zal zijn, een tafel zonder stem of lichaam, een afwezigheid die zwaarder weegt dan de langste nacht, een dichte troosteloze nacht als een wolk, als een gedaante, als een echt persoon, ik in het onderste bed en Joana in het bovenste, die met een fluisterstemmetje het verhaal vertelt van de boze heks die op zolder woont en kleine kinderen in een juten zak stopt om ze ’s avonds op te eten, Joana in het bovenste bed, de schaduw van haar hoofd op de muur, de schaduw van haar haren op de muur, en ik verstopt onder de dekens van het onderste bed, bang voor de boze heks, bang voor Joana, bang voor grootvader, bang voor de dood en de nacht (…)

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.