Raadselen van de lente – João Almino

Door Gerrit Brand

João Almino de Souza Filho (1950) is een Braziliaanse schrijver en diplomaat die zeven romans op zijn naam heeft staan en over geschiedenis en politieke filosofie publiceerde. Hij is lid van de prestigieuze, 40 leden tellende Academia Brasileira de Letras (ABL), de Braziliaanse Academie voor Letteren. Zijn ervaringen als zaakgelastigde in Libanon, gecombineerd met de Arabische Lente én het feit dat in Brazilië veel mensen wonen met Arabische (vooral Syrische en Libanese) wortels brachten Almino op het idee voor de roman Enigmas da Primavera. 

Majnun leidt een online bestaan in het comfortabele huis van zijn grootouders in de Braziliaanse hoofdstad. Nadat hij verliefd is geworden op een getrouwde vrouw, vlucht hij met vrienden naar Madrid, waar hij zich begint te interesseren voor de middeleeuwse geschiedenis van Spanje, ten tijde van de bezetting door de Moren. Hij raakt bevriend met moslims, bezoekt moskeeën en paleizen en flirt met vrouwen. Droom en werkelijkheid raken met elkaar verstrengeld. Majnuns vage interesses dreigen te leiden tot gewelddadige, zelfs dodelijke acties.  

De naam Majnun heeft de schrijver ontleend aan het beroemde werk van de Perzische dichter Nezami (1141-1209) (Majnun & Layla) en betekent ‘gek van liefde’, het epitheton van het historische personage Qeis die zijn verstand verloor toen Layla, de vrouw op wie hij verliefd was, met een ander trouwde.

© Ana Carvalho

Op dat moment zei Dario, kijkend naar Majnun:
  ‘Je kunt niet terug in de tijd, wees daar maar zeker van. Maar haal uit het leven wat erin zit zolang je jong bent, zodat je geen spijt krijgt. Het maakt niet of je fouten maakt. Fouten horen bij het leven. Wees vrij, zelfs als de vrijheid maar een hersenschim is. Het heeft geen zin realistisch te zijn als dat betekent dat je gemakzuchtig en onverschillig wordt.’
  Voor Majnun was het alsof zijn grootvader op de hoogte was van zijn affaire met Laila en hem van een misstap had vrijgesproken. De woorden spraken tot een verborgen en essentieel deel van zijn ziel waar Laila sliep, áls hij al een ziel had en áls Laila al sliep. Maar natuurlijk niet, hij had geen ziel en Laila sliep niet. Integendeel, ze nam al zijn gedachten in beslag, zijn hele wezen, maakte hem wakker, streelde hem en gunde hem geen moment rust.
  ‘Ik ben oud. Ouder worden is het vergaren van verliezen en leven op herinneringen. Wist je dat? Mijn beste herinneringen zijn die aan mijn vrijheid,’ voegde Dario er tot vreugde van Majnun aan toe.
  Hij wist het nu zeker, zijn grootvader had het over Laila. Ze stond op het punt te arriveren en Majnun zou haar met een gerust geweten verwelkomen.
  Zijn opgeluchte gemoed weerhield Boabdil, de sultan van Granada, er die nacht echter niet van weer aan hem te verschijnen, dit keer in het wit en zonder de kleren van de sultan.
  ‘Ik ben Ibrahim,’ zei Majnun tegen hem.
  De sultan geloofde hem niet en besloot dat hij geëxecuteerd zou worden.
  Majnun zocht naar het schaakbord waarop hij, door de stukken te verplaatsen, interne oorlogen in de vijandelijke linies kon uitlokken en Granada kon beschermen tegen een christelijke invasie. Hij vond alleen zijn iPad en het lukte hem niet deze aan te zetten. Boabdil gaf toen opdracht aan twee sterke mannen om hem naar het schavot te brengen. Majnun schopte, maar het ontbrak hem aan voldoende kracht om te ontsnappen.
  Hij werd hijgend wakker op het moment dat hij zou worden geëxecuteerd. Hij baadde in het koude zweet. Deze keer was het ongetwijfeld een droom, wat een opluchting!
  Er was een verklaring voor de aanwezigheid van Ibrahim in zijn droom. Hij had lang geleden in een boek, geschreven door Washington Irving, in de bibliotheek van zijn grootvader Dario, de legende gelezen van Ibrahim bin Ayyub, de Arabische astroloog en arts die, afkomstig uit Egypte, te voet arriveerde aan het hof van de Moorse sultan Aben Habuz in Granada. Majnun was door zijn grootmoeder bijna gedwongen om naar een dokter te gaan, omdat hij erop stond dat zijn naam Ibrahim was. En, meer recentelijk, bij het schrijven van de eerste versie van zijn roman, een lang verhaal dat hij voor een wedstrijd in wilde sturen, had hij Ibrahim tot hoofdpersoon van het boek gemaakt. Hij had zich verbeeld zelf Ibrahim te zijn.

 Op de terugweg stemde Laila ermee in hem halverwege de middag met de auto op te halen bij de uitgang van CasaPark. Ze arriveerde in een zwarte Land Rover. Ze was onherkenbaar, droeg een zonnebril en was gekleed in het zwart met een zwarte sjaal om haar hoofd, als een orthodoxe moslima. Zoveel zwart gaf Majnun een slecht voorgevoel. Zodra hij in de auto stapte, waarschuwde ze hem:
  ‘Mijn man heeft een e-mail van je gelezen. Hij heeft me geslagen, omdat hij wilde weten wie je bent en hij heeft me bedreigd. “Als je me verlaat, zal ik je vermoorden.” Hij zit achter je aan om je te vermoorden. Hij is ertoe in staat, ik ken hem heel goed.’
  ‘Ik ga kogels kopen voor mijn revolver.’
  ‘Ik denk dat we elkaar beter niet meer kunnen zien.’
  ‘Waarom niet? Waarom zou ik anders kogels kopen?’
  ‘Geen gekkigheid, in godsnaam.’
  ‘Zeg me niet dat je bang bent voor je man,’ zei hij zonder zijn frustratie te verbergen.
  ‘Tuurlijk ben ik bang voor hem.’
  ‘Ik ga die klootzak bij de politie aangeven,’ zei hij boos met stemverheffing.
  ‘Nee, geen denken aan.’
  Haar groene ogen vulden zich met tranen. Majnuns woede loste erin op. Hij liet Laila’s hoofd op zijn schouder rusten.
  ‘Ik kan geld halen van de gezamenlijke spaarrekening die ik met mijn grootouders heb. Genoeg voor ons om een ​​half jaartje van te leven. Laten we naar het Noordoosten gaan.’
  ‘Geld is geen probleem. Mijn winkel levert geld op. Maar nee, vergeet het maar.’
  ‘En waarom niet? Alleen omdat je bang bent?’
  Hij begon zich weer op te winden. Midden op straat zoog hij gulzig aan haar volle borsten met zijn nerveuze handen op haar soepele heupen. Dus stelde ze voor:
  ‘Denk nou niet dat ik dit soort dingen gewend ben, maar ik heb horen praten over dat motel, Paraíso do Amor, Liefdesparadijs.
  Hij was dit soort dingen ook niet gewend. Ondanks dat het zijn eerste keer was, liet hij niets merken. Ze toonde hem de blauwe plekken op haar lichaam, te wijten aan haar man; en hij haar een discrete tatoeage op zijn bovenbeen met de woorden ‘eeuwige liefde’. In de lange namiddag, tot aan het vallen van de avond, vond hij haar beurtelings gelukkig en angstig. Om hun romantische ontmoeting te vieren haalde hij een sigaar tevoorschijn die hij van zijn grootvader Dario had gestolen. Hij nam een trek en zei:
  ‘We gaan onszelf niet het beste in het leven ontzeggen. We moeten elkaar blijven zien. Een dag zonder jou is een dag niet geleefd.’
  ‘Ik hou van je, ik zal altijd van je houden. En ik hou niet van mijn man. Ik denk niet dat ik ooit echt van hem heb gehouden. Maar geef toe: we leven in een droomwereld. Dit gebeurt niet echt. We moeten wakker worden,’ zei ze somber, maar ze bood er haar gezicht, haar borsten en haar volledige lichaam bij aan, en hij reageerde onmiddellijk op dat aanbod met kussen op haar handen, op haar gezicht, op haar borsten, op haar buik, op haar geslacht, op haar dijen.
  Ze stond op, bleek, met een tragische blik en neerhangende mondhoeken. Zij liep door de kamer op het geluid van de muziek op de radio, een Bossa Nova liftmuziekje.
  Majnun zag iets triests in de manier waarop dat mooie, naakte lichaam langzaam voortbewoog. Het stemde hem droevig. 

Raadselen van de lente (Enigmas da primavera)
João Almino
Vertaald door Gerrit Brand
Uitgeverij Nobelman, 2021
260 blz.
ISBN 9789491737671

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.