Sasja Janssen over Cecília Meireles

Donderdag 17 september werd in boekhandel Het Martyrium in Amsterdam de dichtbundel Twaalf Hollandse nocturnes van Cecília Meireles gepresenteerd. Sasja Janssen, die zelf prachtige poëzie schrijft, las de vertaling van de tiende nocturne voor en voorzag die van een even mooi als treffend commentaar. We drukken het hier af gevolgd door de nocturne.

 

Bij de tiende nocturne

Volgens Ovidius, aan wiens Metamorfosen ik moest denken, vervaagt in het land van de slaap de grens tussen leven, droom en dood, het land waar transformaties en visioenen kunnen optreden. In dit denkende, filosofische, bezwerende en tegelijkertijd beeldende gedicht wordt niet geslapen, sterker nog, het lyrisch ik wenst te blijven waken, eeuwig zelfs, in die heldere nacht, om op te kunnen gaan in zoiets bovenmenselijks als de nacht, zonder te sterven, meer als een verruiming van het bewustzijn. Vlammend zijn als een ster, nog meer levend dan overdag. 

Een goed gedicht bevat een raadsel, en hoewel dit gedicht in begrijpelijke, maar tegelijkertijd ook lyrische taal is gesteld, is het zeer zeker ook raadselachtig. De nacht die bestaat en niet bestaat. Wat een vondst! Overdag bestaat er geen nacht en in de nacht is er alleen maar nacht. Die alles verandert van vorm, die je denken, je ogen terugvoert naar de sterren waar ze wellicht ooit vandaan kwamen. Alsof de nacht wordt gepersonifieerd, maar daarmee doe je hem tekort, om hem menselijk te maken. Beter kun je zeggen dat het lyrisch ik een entiteit als zoiets als nacht wordt. Zo ontstaat er een betekenis, een wereld, die er eerder nog niet was.

Behalve aan Ovidius dacht ik aan de gedichten van Cesare Pavese, ook een modernist en tijdgenoot van Meireles. Net als in zijn gedichten is er een sterke relatie in de verbeelding tussen het lyrisch ik (of een hij in zijn geval) en de dingen, het landschap, en zoiets ongrijpbaars als de nacht, ik citeer:

‘Tussen de bladeren/die ritselden in het donker, verschenen de heuvels/waar alle dingen van de dag, de hellingen/en de bomen en de wijngaarden duidelijk en dood waren/en het leven een ander was, van wind, van hemel,/en van bladeren en van niets’

En Cecília Meireles zou denkelijk zeggen: ja dan zijn wij nacht, dat we bestaan en niet bestaan.

Er is veel meer nacht dan boven torens en bruggen:
en van daaruit zie je de reeks langgerekte weilanden op een andere manier,
en het wier, de schelpen, de broze skeletten,
de tot humus lamgelegde kroezige golf
die de zee voorgoed heeft weggezonden.
Voor wie werkt het vlammende universum?
Voor wie slooft het lijf van de aardse mens zich morgen uit?
Voor wie denken wij, in de bovenmenselijke nacht,
in een stad zo ver weg, op een tijdstip zonder mensen?
Voor wie wachten we op de terugkeer van de dag
en voor wie doen al deze metamorfosen zich voor,
alle metamorfosen,
in het diepst van de zee en in de windroos,
in een menselijk waken en in dat andere waken,
dat eeuwig en altijd hetzelfde is, zonder dag, zonder nacht,
verhuld en toch zo duidelijk?
Ik klampte me vast aan de heldere nacht,
de nacht die komt en gaat binnen zijn juiste grenzen,
de nacht die bestaat en niet bestaat,
en ik fluisterde in zijn ene en zijn andere oor:
‘Ik wil niet meer slapen, nooit meer… nooit…’ En de nacht
nam mijn ogen en mijn denken mee,
nam ze mee naar de oude sterren,
naar de ontspringende sterren
– en ze waren veel kleiner
dan de letters van de woorden van mijn kreet.

Foto’s Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*