Door Harrie Lemmens

Toen ik in 2007 werkte aan de samenstelling van De vorst, de soldaat en de reiziger, een boek over vierhonderd jaar betrekkingen tussen Portugal en Angola, stuitte ik bij de twee wetenschappelijke reizigers Capelo en Ivens, die eind negentiende eeuw dwars door Afrika trokken, van Angola naar Mozambique, op de plant Welwitschia morabilis. Omdat ik de naam zo mooi vond en er meer over wilde weten, tikte ik hem in op Google en schoot in de lach: de enige hit was – jawel, het citaat uit het reisverslag van Capelo en Ivens!
‘Vlak aan zee, op de stranden, slepen zich treurig ogende winde en calabarbonen voort. In het zuiden en op de woeste zandgronden vormen Welwitschia mirabilis en zwartgeblakerde Bauhiniae de flora. Verder landinwaarts is het vaak park-like, en acht tot tien mijl van de zee verandert het decor, dat nu plaatsmaakt voor schilderachtige panorama’s tussen groene weidegronden, waar roodachtige winden, gele orchideeën en witte Commelinae met elkaar wedijveren in glans, de aarde bedekkend met een tapijt waaruit koraalstruiken met vuurrode bloemen en andere grote exemplaren van het plantenrijk oprijzen.’
Ik nam mijn toevlucht tot het ouderwetse papier van de Lello Universalis en trof daar twee korte lemmata aan. Een over de Oostenrijkse botanist Friedrich Welwitsch, die de merkwaardig gevormde plant in 1859 had ontdekt in de Namibische woestijn, en een over de plant, de enige in Afrika van de soort gnetaceae (naaktzadigen).
Nu kon ik verder: de Karinthische arts (1806-1872) bleek ondernemend en reislustig te zijn geweest en was in 1838 in Lissabon beland, waar hij de leiding kreeg toebedeeld van de botanische tuinen van de stad. Vanuit Portugal trok hij naar Angola en daar deed hij zijn ontdekking in het uiterste zuiden van de Portugese kolonie.
De plantennaam haalde ook de herinnering boven aan een voormalige tabacaria, een sigarenboer uit de buurt van het ouderlijk huis van Ana in Porto, die behalve tabakswaren ook loten, tijdschriften, kranten en potloden verkocht. Op de etalageruit stond boven de afbeelding van een plant met twee langgerekte bladeren de naam van de zaak: Tabacaria Welwitschia. Waarschijnlijk was de eigenaar een retornado, een Portugees die na de onafhankelijkheid van Angola samen met zoveel anderen de ex-kolonie ontvlucht was en in het moederland een nieuw bestaan had opgebouwd met behoud van oude dromen en voorspoed: de eeuwigdurende aanwezigheid van het verleden in de vorm van deze eeuwigdurende plant, die in het Afrikaans de nog veel fraaiere naam Tweeblaarkanniedood draagt.
Doem-me a cabeça e o universo.
Mijn hoofd en de wereld doen zeer.
Fernando Pessoa
Um novo sol já vai raiar.
Een nieuwe zon zal stralen.
Vinicius de Moraes
Foto Ana Carvalho
Leave a Reply