Door Harrie Lemmens

‘Het Nederlands is nu eenmaal een botte taal,’ hoorde ik de man aan het tafeltje naast me beweren, met het aplomb van vermeend gelijk. ‘Heel anders dan het Engels, dat is een en al beleefdheid.’ Platvloers, lelijk, kortaf, schofterig waren de woorden die hem te binnen schoten om het Nederlands te kwalificeren.
Als de Nederlandse taal een mens was geweest en tegenover de man had gezeten, was hij opgesprongen en had diep beledigd het etablissement verlaten. Briesend van verontwaardiging over de schoffering. Of hij was, om ’s mans ongelijk te bewijzen, op luide toon Hadewych gaan voordragen. Of Hooft. Of Judith Herzberg. Of A.F.Th. van der Heijden. Of iemand uit de vertaalde wereldliteratuur.
Nu knikte de vrouw (zijn vrouw?) tegenover hem alleen maar met een bewonderende blik.
Elke taal is in staat tot het hoogste en bereid tot het laagste. De taal biedt alle mogelijke woorden in alle mogelijke combinaties. Voor alle mogelijke doeleinden. Maar het is de gebruiker die de toonaard bepaalt.
Niet de taal snauwt of streelt, gromt of fluistert, oreert of hakkelt, het is de spreker die bepaalt hoe de toehoorder moet opvatten wat hij zegt. De tong schikt de taal. Laat onderstaand voorbeeld, een kort fragment uit de nagelaten onvoltooide roman Hellebaarden van José Saramago, de man naast me de mond snoeren: bot of beleefd is geen kwestie van woorden maar van toon.
‘Ga zitten, ga zitten, zei de directeur, die zich niet kon voorstellen dat hij de ziel van artur paz semedo met die woorden liet overlopen van genot, want het maakt nogal wat uit of iemand vriendelijk uitvoerig tegen je zegt, Ga zitten, ga zitten, of kortaf en bot Ga zitten, waardoor je zin krijgt om te blijven staan, gewoon uit balsturigheid.’
Doem-me a cabeça e o universo.
Mijn hoofd en de wereld doen zeer.
Fernando Pessoa
Um novo sol já vai raiar.
Een nieuwe zon zal stralen.
Vinicius de Moraes
Foto Ana Carvalho
Leave a Reply