
Wanneer ik in Lissabon ben, wat helaas niet meer zo vaak het geval is sinds ik ben terugverhuisd naar Amsterdam, loop ik altijd even binnen bij A Brasileira, een van de cafés waar Fernando Pessoa graag kwam. En ja hoor, daar zat hij, in de koperkleurige avondzon, aan zijn vaste tafeltje op het terras. Ik herkende hem, maar durfde hem niet aan te spreken. Ik ging zitten, zei “Bom dia!” en hij antwoordde met een vriendelijk knikje. Ik bestelde pastéis de Belém. Toen die werden gebracht zei hij: “Daar moet u eigenlijk een glaasje port bij drinken!” “Daar heeft u gelijk in,” antwoordde ik. Toen de ober weer langskwam vroeg ik hem om een glaasje port en nodigde Pessoa uit met een handgebaar en een vragende blik. “Daarmee doet u me een groot plezier,” zei hij.
Toen we eenmaal in gesprek waren, zei ik dat ik hem herkende, dat ik wist dat hij de schrijver Fernando Pessoa was en dat ik alles van hem had gelezen dat was gepubliceerd. “Dat is dan niet zoveel…” zei hij besmuikt. “Ik schrijf meer dan de Portugese uitgevers aankunnen. Maar daar zit ik verder niet mee. Mijn tijd komt nog wel. Op dit moment ben ik bijvoorbeeld nog steeds bezig met mijn versie van Goethes Faust, of iedereen zijn Faust eigenlijk. Iedereen kent die strijd in zijn leven, het gevecht tussen Satan en, tja, wat dan ook? De menselijke ziel? U begrijpt, dat is een project dat tijd nodig heeft. En om de zaak nog een beetje te compliceren, het moet een toneelstuk worden. En toneel is iets waar ik eigenlijk geen verstand van heb… Maar om een of andere reden spelen ze zelfs nu nog theaterstukken die over mij gaan, maar niet door mij zijn geschreven. En dan geven ze het nog een Engelse titel ook, “Since I’ve Been Me”. Ik heb nooit iets in het Engels geschreven, nou ja, misschien een enkel gedicht, en dan die detectiveverhalen, maar die oude koeien hoeven we niet uit de sloot te halen.”
Ik vond Pessoa, hoe zal ik het zeggen, ongeremd. Waarom zou hij zich tegen een onbekende zo persoonlijk uiten? Het kon niet aan dat ene glaasje port liggen, Pessoa was (of is) een gretige innemer, wat hem, zoals we weten, de kop heeft gekost in 1935. Maar het is niet beleefd om met iemand die je net hebt ontmoet over dat soort dingen te spreken. Dus ik bestelde nog maar twee glaasjes port.
“Maar u heeft zelf toch ook toneel geschreven, en nu bent u zelfs met Faust bezig!” Hij gaf toe dat hij een paar teksten had geschreven die voor het toneel bedoeld waren. “Faust, ja, daar ben ik jaren mee bezig geweest, en nog steeds dus. Maar ik denk niet dat het iets wordt. Als ik het al ooit af krijg, wat vermoedelijk niet het geval is. Dan kunnen de geïnteresseerden het vinden in die grote kist waar al mijn losse velletjes in verdwijnen.”
“Maar O Marinheiro, eigenlijk uw enige stuk dat het tot een opvoering heeft gebracht…” “Ja, sorry dat ik u onderbreek, dat is af en toe gespeeld, zelfs kort geleden nog, in 2025, in Guarda. Misschien heeft u het gezien?”
“Ik moet helaas bekennen…” “Niet erg… Ik heb zelf de voorstelling ook gemist, er kwam wat tussen. Maar eerlijk gezegd zit ik er niet mee. Hoe noemde ik het ook weer? ‘Statisch theater’. Alleen maar tekst, geen handeling, Aristoteles draait zich om in zijn graf. Eigenlijk doodvervelend, voor een publiek, bedoel ik”.
“Maar niet voor u?” “Allerminst, meneer. Maar ik schreef ook nooit voor een publiek. Ik schreef voor mezelf, dat moet u bekend zijn. U kent mijn werk toch?”
“Ja, zoals ik al zei, en om wat specifieker te zijn: Livro de Dessassego, de poëzie van uw heteroniemen, vooral van Álvaro de Campos, mijn favoriet. Ik moet u zeggen, uw ideeën over theater staan mijlenver af van de mijne.”
“Daar zal ik dan mee moeten leven… Maar ik weet wel wat u bedoelt, dat publiek waar ik het zojuist over had, wil beweging, verrassing, opschudding, intrige, een verhaal, dat begrijp ik ook wel. Het publiek wil eigenlijk een spannende film, maar zoiets heb ik niet in voorraad. Ik zou nog wel zo’n glaasje port lusten, als u me toestaat. Dan praten we verder.”
Ik wenkte de ober, die al klaar stond met de fles in zijn hand. “Senhor Fernando!” “Dank je, goede vriend,” antwoordde de dichter. Aarzelend bewoog de ober zijn fles in mijn richting. “En meneer?” “Laat me eens uitspatten,” zei ik, in het weinige Portugees dat ik ter beschikking heb. “Deixe-me dar-me um momento de extravagância”. Pessoa keek goedkeurend toe.
“Als ik nog even iets mag vragen?” zei ik. “Wat denkt u zelf?”
“Ik denk niet, meneer. Ik word gedacht. Denkt u dat de mensen enig idee hebben over wat zich in mijn hersenpan afspeelt? Dat weet ik zelf niet eens. Hoe zou dat ook mogelijk zijn? Ik heb één boek gepubliceerd en tientallen, zo niet honderden, zijn nooit gedrukt en in die kist, u weet wel, verdwenen. Er is geen referentiekader. Wat weten de mensen van me? Genoeg, zou ik zeggen. Er is een legertje fans dat zich buitengewoon druk maakt over interpretaties van dit of dat. Wat bedoelt de schrijver? Wat beweegt de schrijver? De schrijver schrijft. Ik doe niets anders. En dan willen ze weten: wat bedoelt hij? Lees! That’s it. Dat is genoeg, zou ik zeggen.”
“Maar de mensen willen meer weten!”
“En waarom zouden ze daar recht op hebben? Omdat ze een paar tientjes voor een boek hebben neergelegd? Kun je een auteur kopen? Je kunt een boek kopen, niet de schrijver. En als ze meer willen weten, over mij bijvoorbeeld, laat ze dan mijn Faust aanschaffen. Ik geef mezelf behoorlijk bloot in dat boek! Vind ik dan. Maar wie ben ik? Probeer daar maar eens achter te komen.”

“Ik citeer uit uw Faust, waarvan zoals u weet de Nederlandse vertaling onlangs is verschenen.
‘Ik kijk, beweeg en praat…
En alles ademt en leeft,
mijn stem, mijn blik,
mijn gebaren, wat me ingeeft
om te zeggen: dit ben ik…’
Misschien is het onbehoorlijk om dit in het midden te brengen, maar kennelijk bestaat u wel als ‘ik’, terwijl ik me u in uw geschriften altijd voorstel als twee ikken, die met elkaar in discussie gaan, onvermoeibaar, elkaar langs het ravijn van de vergetelheid sleuren. Misschien heeft u daarom geen geduld voor toneel, voortdurend uitleggen aan de een wat de ander bedoelt of juist niet bedoelt, voortdurend luisteren naar wat er gezegd wordt en wat er niet gezegd wordt, en gissen naar de betekenis. Bij u is het uitleggen impliciet in uw woorden, u hoeft niets te verduidelijken!”
“Dank u voor dit inzicht! Ik zou het zelf niet beter hebben kunnen uitdrukken. Faust zegt het zelf: “Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust, Die eine will sich von der andern trennen.“ Zo zit het ook bij mij. Met het verschil dat ik weet wie wie is van die twee! Ikzelf namelijk!”
“U bedoelt…” “Ja, precies!” ”U begrijpt me! Daar ben ik u dankbaar voor, maar dankt u vooral uzelf, dat u mij, ons, mag ik misschien zeggen… dit inzicht heb verschaft. Ik moet helaas verder, mijn schrijftafeltje wacht. Hoewel, misschien nog ééntje dan! Het was me aangenaam, zeer aangenaam. Misschien ontmoeten we elkaar ooit weer, op ditzelfde terras, aan ditzelfde tafeltje, en dan zijn we oude vrienden. Ik zal er zijn en kijk er naar uit!”
Het glaasje werd voor hem neergezet, staande sloeg hij het achterover. Hij pakte zijn wandelstok, nam zijn hoed af en weg was hij.
Rudolf Engelander, mei 2026

De Arbeiderspers, Amsterdam 2026
ISBN: 9789029554138
Prijs: € 32,50
Foto’s Ana Carvalho
Beautiful text full of Pessoa’s atmosphere: elusive, intriguing and utterly fascinating.
Obrigadissimo, Gilda!