Vrijdag 15 mei overleed op 64-jarige leeftijd de dichteres Conceição Lima (voluit Maria da Conceição de Deus Lima), boegbeeld van de onafhankelijke eilandengroep São Tomé e Príncipe. Ze bedreef journalistiek en wetenschap, maar ze is vooral de stem van ‘haar’ São Tomé, dat ze verliet om in Londen te gaan werken. Over haar terugkeer schrijft ze in het onderstaande gedicht. Eerder namen we een fragment uit een ander gedicht van haar hand op in een ode aan de Portugese taal.

Vóór het gedicht
I.
Toen het maanlicht viel
en het groen van het eiland betoverde,
kwam ik aan, maar jij was er niet meer.
Ik kwam aan toen het donker de fluistering
van je lichaam onthulde
en je was er niet.
Ik was gekomen om je naam van grenzen
te ontdoen.
Je was er niet.
De wolken zijn zwanger van jou
dragen je afwezigheid
ontkennen het verval van je lichaam
maar je bent er niet.
Steen voor steen vul ik de nacht
van je maatloze gezicht
om je te bouwen voeg ik de dagen
steen voor steen
bijeen in de tijd die je verteert.
De stenen groeien als golven
in de stilte van je lichaam.
Ze vloeien en bruisen
als onstuimige bloemen
in de stilte van je lichaam
en bloeden. Als uitgeputte vogels.
De nacht en de wind verstrengelen zich
in de leegte die je wacht.
II.
Je kwam ineens
toen valse goden de tijd
ondergroeven.
Je kwam om kou en
slapeloosheid te verjagen
Je kwam onverwacht
toen de weg zich opende
als een rivier
Je kwam om onverwijld
je begin te bevrijden.
De stilte hangt zwaar om je heen
en grijpt vijandig je lichaam vast
Maar je hebt al uren en wegen doorstaan
hebt wildernis en ravijnen overwonnen
en de dichtheid van de berg Obô
glanst al op je voorhoofd.
En er zijn volop vergeten duiven
in je gezicht
Er is volop snikkend besef
van wat achter je ligt
Er is volop koorts van bevrijde tranen.
Ik zal wenend je tijdloze
thuiskomst bezingen
je terugkeer uit het weg in heimwee
ik zal overal je lot
van rebel bezingen
Ik zal om je op zee en in het palmbos
te groeten in de ochtend ongeremd
het strand en de boomgaard bezingen.
Ik zal je naam uitspreken en je bent er.

Antes do poema
I
Quando o luar caiu
e tingiu de magia os verdes da ilha
cheguei, mas tu já não eras.
Cheguei quando as sombras revelavam
os murmúrios do teu corpo
E não eras.
Cheguei para despojar de limites
o teu nome
Não eras.
As nuvens estão densas de ti
sustentam a tua ausência
recusam o ocaso do teu corpo
mas não és.
Pedra a pedra encho a noite
do teu rosto sem medida
para te construir convoco os dias
pedra a pedra
no tempo que te consome.
As pedras crescem como vagas
no silêncio do teu corpo
Jorram e rolam
como flores violentas
no silêncio do teu corpo
E sangram. Como pássaros exaustos.
A noite e o vento se entrelaçam
no vazio que te espera.
II
Súbito chegaste
quando falsos deuses subornavam
o tempo.
Chegaste para despedir
a insónia e o frio
Chegaste sem aviso
quando a estrada se abria
como um rio
Chegaste para resgatar
sem demora o princípio
Grave o silêncio rodeia o teu corpo
hostil o silêncio agarra teu corpo
Mas já tomaste horas e caminhos
já venceste matos e abismos
já a espessura do obô
resplandece em tua testa.
E não bastam pombas em demência
no teu rosto
Não bastam consciências soluçantes
em teu rasto
não basta o delírio das lágrimas libertas.
Eu cantarei em pranto
teu regresso sem idade
teu retorno do exílio na saudade
cantarei sobre a terra
teu destino de rebelde
Para te saudar no mar e no palmar
na manhã do canto sem represas
cantarei a praia lisa e o pomar.
Direi teu nome e tu serás.
Uit: Conceição Lima, O útero da casa (Lissabon, Editorial Caminho, 2004)
Vertaling Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho
Leave a Reply