Zon & Zeer – Meimaand in Portugal

Door Harrie Lemmens

 


Het is begin mei en op het voormalige terrein van textielgigant Empresa Fabril do Norte verdwijnt het enige resterende gebouw, een ruïne rond de hoge schoorsteen (de rest werd lang geleden gesloopt en een van de imposante machinerieën is als sierstuk en souvenir opgenomen in het nabijgelegen winkelcentrum Norteshopping), achter de zwierende, slingerende, zwaaiende, tollende en hotsende en botsende moderne vermaakmachines van de kermis. Met bijbehorende muziekdreunen op straaljagergeluidsniveau. 

Senhora da Hora, op de grens tussen Porto en Matosinhos, viert feest. Devoot en werelds: aanleiding is de vrome Mariaverering, wat telt is het profane amusement. Een heilige alliantie van de noden van lijf en ziel die zo kenmerkend is voor de katholieke kerk. Laat de mens bidden, maar laat hem ook zondigen, zodat hij weer wat te bidden heeft. De mens is zwak, maar overleeft dankzij het duizend-dingen-doekje van biecht, absolutie en penitentie. En niets menselijker, niets ootmoediger dan de Moeder Gods, de maagd zonder erfzonde, troosteres van de bedrukten, mystieke roos, heerlijk vat van godsvrucht, om maar een paar kwalificaties uit de litanie van Loreto te noemen. 

De hele maand mei staat in het teken van de Koningin van de Rozenkrans, met als hoogtepunt uiteraard de dertiende mei, de dag waarop zij ruim een eeuw geleden in Fátima verscheen aan twee meisjes en een jongetje op de blote voeten van de alom heersende armoede. In die eeuw is het onooglijke dorp uitgegroeid tot een van de belangrijkste bedevaartsoorden (het steekt zelfs het Zuid-Franse Lourdes naar de kroon), waar gelovigen zich op blote knieën of met schoenen vol rauwe erwten heen slepen op zoek naar genezing van de zondige ziel of het zieke lichaam. Leniging of oplichterij? 

In de roman Het jaar van de dood van Ricardo Reis laat José Saramago een van de heteroniemen van Fernando Pessoa na diens dood terugkeren uit Brazilië en nog een jaar lang leven, liefhebben en als huisarts werken in Lissabon. Waarom weet hij niet, maar hij wil Fátima zien en reist er op 13 mei 1936 per trein naartoe, Meteen na aankomst heeft hij spijt, of, zoals de Portugese Nobelprijswinnaar schrijft: 

Het lijkt Ricardo Reis allemaal zo absurd, het feit dat hij uit Lissabon hier naar Fátima is gekomen, alsof hij achter een luchtspiegeling aanzat terwijl hij op voorhand wist dat het een luchtspiegeling was en niet meer dan dat, dat hij hier in de schaduw van een olijfboom tussen wildvreemde mensen nergens op zit te wachten, dat hij aan een jongen denkt die hij in een flits heeft gezien in een gezapig stationnetje, dat hij ineens het verlangen voelt om net als hij te zijn, alle dingen te doen die hij doet, zijn neus schoonvegen met zijn rechterarm, door de plassen lopen, bloemen plukken, die mooi vinden en ergens laten liggen, fruit uit de boomgaarden gappen, gillend op de loop gaan voor honden, achter de meisjes aan rennen en hun rokken optillen, want dat vinden ze vervelend, of net leuk, doen ze alleen maar alsof, en ontdekken dat hij het doet omdat hij het zelf leuk vindt, al zal hij dat nooit toegeven, Wanneer heb ik eigenlijk geleefd, mompelt Ricardo Reis en de pelgrim naast hem dacht dat het een nieuw gebed was, een smeekbede die nog in een experimenteel stadium verkeert.

Doem-me a cabeça e o universo.
Mijn hoofd en de wereld doen zeer.
Fernando Pessoa 

Um novo sol já vai raiar.
Een nieuwe zon zal stralen.
Vinicius de Moraes

Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*