Van 21 tot 28 februari 2026 vond de 27e editie plaats van Correntes d’Escritas, een jaarlijks literair festival gewijd aan Portugees- en Spaanstalige literatuur, dat plaatsvindt in de noord-Portugese kustplaats Póvoa de Varzim. Behalve boekpresentaties, interviews, een boekenmarkt en een theatervoorstelling staan er ook altijd verschillende panelsessies (‘mesas’) op het programma. De panelleden krijgen vooraf uit handen van de curator van het festival, Manuela Ribeiro, allemaal een citaat of een thema toegestuurd met het verzoek hier op eigen wijze ‘iets mee te doen’. Deze keer waren de citaten afkomstig uit het boek A vida na selva van de vorig jaar overleden rechter en schrijver Álvaro Laborinho Lúcio, vaste deelnemer aan het festival.
Om onze lezers een idee te geven van het soort onderwerpen dat tijdens de mesas ter tafel komt, hieronder de bijdrage van journaliste en podcastmaakster Inês Bernardo (Ílhavo, 1983), die tijdens dit festival ook haar debuutroman Agarrar a faca pelo gume lanceerde.






‘Weten waar je staat en waar je naartoe wilt, blijft belangrijk’
Door Inês Bernardo
Toen ik het motto van deze panelsessie kreeg toegestuurd, hield ik mijn hart vast. Iedereen weet immers dat de thema’s van de sessies tijdens Correntes d’Escritas altijd een uitdaging zijn, dat zowel schrijvers als publiek zich vaak het hoofd breken over wat ze ermee aan moeten. Maar toen ik zag wat mijn motto was, voelde het alsof ik de loterij had gewonnen. Want ‘waar ik sta en waar ik naartoe wil’ is een vraag die ik mezelf dagelijks stel, zowel in mijn beroepsleven als, sinds kort, ook in mijn leven als schrijver.
Maar laten we eerst even teruggaan in de tijd. Want om te weten waar je nu staat, is het fundamenteel te weten waar je vandaan komt. Ik ben een kind van de jaren tachtig en doordrongen van het besef dat de Anjerrevolutie een belangrijke rol heeft gespeeld in ons leven. Dat is de schuld van mijn ouders, die in een buitenwijk woonden, zonder familie in de buurt om op te passen, en me hebben meegesleept naar demonstraties, vakbondsvergaderingen en nevenactiviteiten. De zomers brachten we door op het platteland, drie maanden lang. Ik ben iemand die roots heeft en ernaar terugkeert. Ik behoor tot een generatie die nog met één voet op het platteland staat en met één voet in de stad. Die nog herinneringen heeft aan het gezamenlijk wassen van die voeten in een grote kuip, aan het eind van de dag, en de bus naar de grote stad, waar het allemaal gebeurde. Ook ben ik een kind van een land dat enorme sprongen heeft gemaakt sinds het juk van de dictatuur werd afgeworpen en dat zich altijd in de achterhoede van een continent heeft bevonden, iemand die te horen kreeg dat onderwijs een springplank was en dat het belangrijk was om een opleiding te volgen waarmee je werk kon vinden, omdat er op het platteland veelal geen droog brood meer te verdienen viel.
Bovenal ben ik een vrouw, dochter van vele generaties sterke vrouwen, gehard door het leven of hard geworden om te kunnen overleven. Vrouwen die niet leefden maar, in de meeste gevallen, overleefden. Vrouwen die er alleen voor stonden omdat hun mannen ver weg waren om te vissen, bruggen te bouwen of oorlog te voeren, of gevlucht waren voor het regime. Vrouwen die verschillende rollen moesten vervullen: die van moeder, vader, kostwinner, opvoeder, boekhouder en manager, zonder hun mond open te mogen doen en zelfstandig beslissingen te mogen nemen. Ik spreek in het enkelvoud maar ik zou net zo goed in het meervoud kunnen spreken. Ik zou ook kunnen zeggen dat wij de dochters zijn van moeders die pas in hun derde levensjaar een naam kregen, niet omdat het werd voorgeschreven door de kerk, zoals de Bijbelse namen zouden doen vermoeden, maar omdat de kindersterfte hoog was. Die geboren werden omdat er meer handen nodig waren om te helpen, die gemaakt werden op het moment dat de mannen thuis waren, maar ter wereld kwamen toen ze alweer waren vertrokken. Die opgroeiden met de schim van hun vader aan het hoofd van de tafel en het afsnijdsel van de vis op hun bord omdat de filet alleen op tafel kwam als hij er was (en alleen voor hem), die bang werden gemaakt door de donderpreek van de pastoor in het Latijn, door de betekenisloze woorden die vanaf de kansel over hen werden uitgestrooid. Wij zijn de dochters die uit dezelfde schaal aten, die midden op tafel stond. Met elk een lepel in de hand. Dochters van een land vol vrouwen in het zwart, waar zelfs de knopen geen kleur mochten hebben, als je tenminste serieus in de rouw was. Waar boterhammen met sinaasappelschil werden gegeten en de tuin van de buren werd geplunderd om de honger te stillen. Wij zijn de dochters van vrouwen die verborgen zakken in hun kleding naaiden om spullen de grens over te smokkelen en van vrouwen die rivieren overstaken zonder te kunnen zwemmen, met hun kinderen hoog boven hun hoofd.
En kijk waar we nu staan: nu zijn we vrouwen die naar hartenlust kunnen ontdekken wie we zijn en wat we leuk vinden. Die met opgeheven hoofd om zich heen kijken en zich bewust zijn van waar ze vandaan komen, van hun eigen geschiedenis en die van anderen, een geschiedenis met kleine letter ‘g’, die niet wordt vermeld in de boeken van die andere Geschiedenis – met een hoofdletter – noch op school wordt onderwezen, maar wordt geschreven door het leven van alledag.
Het is belangrijk te weten waar je staat en waar je naartoe wilt. Álvaro Laborinho Lúcio wist hoe belangrijk het is om de grond onder je voeten te voelen. En hoe belangrijk het is dat vrouwen, ieder afzonderlijk, allemaal samen, hun stem laten horen om hun plaats op te eisen. Maar we moeten het niet alleen over onszelf hebben. Het is van essentieel belang om deze herinneringen, die als een soort landkaart van het verleden fungeren, vast te houden voor de toekomst – als een draad van Ariadne, om ons te leiden door het labyrint van het stormachtige dagelijkse leven, waardoor we telkens gedesoriënteerd raken. Om te laveren tussen de rekeningen die binnenkomen en de noodzaak om elke dag weer brood op de plank te brengen. En je huis niet te laten verslonzen en je kinderen de nodige aandacht te geven en iets van een opvoeding, zodat ook zij zich later kunnen redden in het leven.
Sorry Manuela, dit is geen betoog met een kop en een staart geworden. Het zijn eerder wat losse gedachten die bij me opkwamen in de rij voor de kassa van de supermarkt, op een dag die net als alle andere in plakjes werd gesneden: 500 gram aandacht voor het werk, 300 gram voor het huishouden, 150 voor het kind… En de kruimels die nog overblijven, beste klant, kunt u besteden aan wat u bezighoudt.
Dank u wel.
Vertaling Marilyn Suy
Foto’s Marilyn Suy / Câmara Municipal da Póvoa de Varzim
Leave a Reply