De meest recente roman A Montanha (‘De berg’) van de Portugese schrijver José Luís Peixoto (Galveias, 1974) is een even aangrijpend als empathisch boek over volksziekte nummer één, kanker, en is gebaseerd op de gesprekken die hij onder begeleiding van een psychologe voerde met zes patiënten van het Instituto Português de Oncologia (IPO) in Porto. De stemmen, perspectieven en levensverhalen van kankerpatiënten worden afgewisseld met de overpeinzingen van de auteur tijdens zijn reizen; ook het verlies van zijn eigen vader aan deze ziekte komt meermaals ter sprake. Door het woord cancro steevast vet te schrijven wil Peixoto het taboe rond dit woord – en de ziekte – doorbreken. Dat doet hij door in A Montanha op een unieke manier te beschrijven hoe mensen omgaan met angst en verlies en zich blijven vastklampen aan (soms ijdele) hoop. Met andere woorden: door de ziekte een menselijk gezicht te geven.

In de timmerplaats zag je de zaagseldeeltjes duidelijk in de lucht hangen, ze zweefden rond als sterrenstelsels, het universum bewoog langzaam. De machines stonden stil. Nu het stil was, zou mijn vader een machine feilloos kunnen herkennen aan haar geluid op het moment dat ze werd uitgeschakeld, een geluid dat wegstierf naarmate de bladen trager gingen draaien, maar mijn vader was zijn werkbank aan het opruimen, in opperste concentratie borg hij het gereedschap op dat hij die middag had gebruikt. Hij legde vijlen en beitels in een kist. In zijn eentje schuifelde hij door de timmerwerkplaats, zijn voetstappen waren nauwelijks hoorbaar op de vloer die bedekt was met een laagje zaagsel, ze klonken te zacht om de zondag te verstoren. Door de grote ramen die uitkeken op de binnenplaats was een stukje lucht te zien. Ik was er niet bij, ik stel het me voor op basis van wat ik weet.
Mijn vader werkte elk weekend en elke feestdag. Hij had altijd deadlines, die vaak niet gehaald werden, toch hoorde je hem daar nooit over. Maar die dag was alles anders. Toen hij na de lunch in de timmerplaats aankwam, deed hij alsof hij werkte, alsof hij bezig was, maar hij had geen overvolle agenda meer, er waren geen pagina’s en pagina’s vol getallen meer, de breedte- en lengtematen van een opdracht. De hele middag lang probeerde hij aan iets anders te denken, deed hij dingen die hij als leerling, als kind, had geleerd en die hij bijna vijftig jaar lang keer op keer had gedaan. Maar toen hij het kleine hamertje in de houten kist stopte en het deksel dichtdeed, kon hij niet meer doen alsof. Het kostte hem moeite om op te staan, zijn knieën werkten niet mee.
Minutenlang stond mijn vader als aan de grond genageld met een ernstig gezicht naar zijn werkbank te kijken. Met zijn hand streek hij over zijn overhemd, alsof hij het wilde gladstrijken, en voelde de verdikkingen in zijn buik, de tumoren. Nooit heb ik hem het woord kanker horen uitspreken. Zijn ruwe vingers gingen over de stof, hij voelde de knobbels in zijn buik, de ziekte. Ik was er niet bij, ik stel het me voor op basis van wat ik weet. Vervolgens legde hij zijn handen op de werkbank, zijn werkbank, keek om zich heen en begon afscheid te nemen van de timmerwerkplaats.
De muren bedekt met oud zaagsel, dat als zwarte wolken in spinnenwebben hing. De dakspanten boven zijn hoofd, er waren dagen geweest waarop je de regen continu op de dakpannen hoorde kletteren, een hele winter lang. Latten, balken en planken tegen de muren, restanten van een of andere klus. Die komen nog weleens van pas, dacht mijn vader toen hij ze daar neerzette. Maar ze zouden nooit meer van pas komen.
En hij herinnerde zich de eerste keer dat hij daar binnenkwam, de eerste keer dat hij die ruimte vanbinnen zag, toen hij al met de gedachte speelde om het pand te kopen, hij herinnerde zich de grote werkbank in het midden toen die nog nieuw was, hoe hij die zelf had gemaakt, hij herinnerde zich het moment dat ze de machines kwamen installeren, een voor een, hij herinnerde zich alles wat daar was gebeurd. En doelloos zette hij een paar stappen. De blote vrouwen op de kalenders aan de muur keken hem aan, zoals ze al die tijd hadden gedaan. Voor elk jaar een andere vrouw, 1984, 1987, 1993, jaren die voorbijgevlogen waren en die op dat moment een trieste reeks vormden. De blote vrouwen van de kalenders, met hun verschoten kleuren en hun heupen bedekt met zaagsel, kenden dat trieste gevoel, hoewel ze bleven glimlachen, ze konden alleen maar glimlachen. Mijn vader nam afscheid van hen, zoals hij afscheid nam van alles om zich heen.
Toen hij de ramen en de deur vergrendelde, kreeg hij een brok in zijn keel en een beklemmend gevoel op zijn borst. En over zijn gloeiende rode wangen liepen tranen. Ik was er niet bij, ik stel het me voor op basis van wat ik weet. Op zijn vijfenvijftigste huilde mijn vader als een klein kind. Toen hij klein was, had hij zijn grote broers om hem te beschermen, als ze hem niet zelf aan het plagen waren tenminste. Laat die jongen met rust, riep zijn moeder dan. Zoveel jaar later, op zijn vijfenvijftigste, huilde diezelfde jongen bij het horen van de grendel die in het slot schoof. Een geluid dat hij zo vaak had gehoord, iedere dag, maar het was geen dag als alle andere, het was de laatste dag die mijn vader in zijn werkplaats doorbracht.

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho
Leave a Reply