Door Harrie Lemmens

Begin december besprak Ger Leppers de nieuwste Asterix, waarin onze held met zijn twee trouwe kompanen Obelix en Idéfix vanuit Gallië afzakt naar Lusitanië, dat mythische land aan de rand van Europa. Of het een geslaagd bezoek van de makers van het beroemde stripverhaal is, mag u zelf bepalen in de taal van uw voorkeur. Dat kan behoorlijk uiteenlopen, want er zitten vertalers tussen het oorspronkelijke Frans en de andere idiomen, en vertalers zijn zoals u weet voor geen cent te vertrouwen. Daar wil ik het hier echter niet over hebben. Wel over stripverhalen.
Toen ik kort na Nieuwjaar in Porto een boekhandel binnenstapte, zag ik tot mijn stomme verbazing een verstript Livro do Desassossego van Fernando Pessoa liggen, te midden van een reeks andere getekende klassieken uit de Portugese literatuur, zoals Camões’ Lusíadas en Peregrinação van Fernão Mendes Pinto. Een coproductie van uitgeverij Levoir en de Portugese staatstelevisie RTP, met als doel de Portugese jongeren (weer) aan het lezen te krijgen en op een hapklaar vlotte manier kennis te laten maken met hoogtepunten uit de Lusitaanse Letteren. De strip als toverdrank of -spijs dus. Prijzenswaardig, maar of het werkt?
De prentjes-met-tekstballonversie van Boek der rusteloosheid begint zo:

En het louter-lettersboek zo:
Er is in Lissabon een klein aantal restaurants of eethuizen waar zich boven de gelagkamer, die eruitziet als een nette kroeg, nog een tussenverdieping bevindt met de sobere, huiselijke inrichting van een restaurant in een plaats waar geen treinen rijden. In die, behalve op zondag, weinig bezochte gelegenheden zitten vaak eigenaardige figuren met uitdrukkingsloze gezichten, buitenstaanders in het leven.
Omdat ik rust wilde hebben en het er niet duur was, ben ik een tijdlang stamgast geweest in zo’n etablissement. Als ik dan om zeven uur ging eten, trof ik er bijna altijd iemand aan wiens uiterlijk me eerst onbewogen liet, maar geleidelijk toch mijn belangstelling begon te wekken.
Het was een man van een jaar of dertig, mager, eerder groot dan klein, overdreven gebogen wanneer hij zat, maar minder wanneer hij stond, gekleed met een zekere slordigheid die toch niet geheel slordig was. Zijn bleke, nietszeggende gezicht werd ook door een uitdrukking van lijden niet sprekender, en het was moeilijk te bepalen wat voor soort lijden het was − het leken verschillende soorten te zijn, ontberingen, angsten en dat ene lijden dat voortkomt uit de onverschilligheid die ontstaat wanneer men veel heeft geleden.
Eten deed hij weinig en na afloop rookte hij altijd een zelfgedraaide sigaret. Hij keek opvallend veel naar de anderen, niet achterdochtig maar met een bijzondere belangstelling; niet dat hij hen onderzocht, nee, het leek alsof hij zich voor hen interesseerde zonder zich hun gezicht te willen inprenten of de uitingen van hun gedrag tot in de details te willen vastleggen. Het was deze curieuze trek die mijn belangstelling voor hem wekte.
Ik begon beter naar hem te kijken en het viel me op dat zijn gezicht op een bepaalde onbepaalde manier werd verlevendigd door een bepaalde uitdrukking van intelligentie. Maar de verslagenheid, de verlamming door te veel angst, overheerste zozeer dat het moeilijk was om behalve die trek nog een andere te ontdekken.
Van een van de kelners hoorde ik toevallig dat hij handelsbediende was bij een bedrijf daar vlakbij.
Op een keer deed zich beneden op straat een incident voor − een vechtpartij tussen twee kerels. Iedereen op de tussenverdieping liep naar het raam, ook ik en de man over wie ik het heb. Ik maakte een terloopse opmerking tegen hem en hij reageerde op dezelfde manier. Zijn stem klonk mat en bedeesd, als die van mensen die niets verwachten omdat het volkomen zinloos is iets te verwachten. Maar misschien was het onzin mijn avondlijke restaurantgenoot zoveel betekenis toe te dichten.
Waarom weet ik niet, maar sindsdien groetten we elkaar. Op zekere dag, wellicht nauwer verbonden door het onzinnige feit dat we allebei om half tien waren komen eten, raakten we in gesprek, een gewoon, alledaags gesprekje. Op een bepaald moment vroeg hij of ik schreef. Ja, antwoordde ik en ik vertelde hem over het tijdschrift Orpheu dat kort tevoren was verschenen. Tot mijn stomme verbazing liet hij zich daar lovend over uit, zeer lovend zelfs. Ik veroorloofde me de opmerking dat me dat verraste, want de kunst van hen die in Orpheu schrijven spreekt slechts weinigen aan. Hij zei dat hij misschien een van die weinigen was. Overigens, voegde hij eraan toe, had die kunst hem eigenlijk niets nieuws gebracht, en verlegen liet hij weten dat hij, daar hij nergens heen kon en niets te doen had, nooit vrienden bezocht en geen belangstelling had voor het lezen van boeken, zijn avonden thuis, op zijn huurkamer, eveneens doorbracht met schrijven.
Doem-me a cabeça e o universo.
Mijn hoofd en de wereld doen zeer.
Fernando Pessoa
Um novo sol já vai raiar.
Een nieuwe zon zal stralen.
Vinicius de Moraes
Foto Ana Carvalho
Heerlijk om te lezen