Trommels, liefde en geschiedenis


Sinds vorige week ligt de nieuwe roman van de Angolese schrijver José Eduardo Agualusa (Huambo, 1960) in de reëel bestaande en digitale Nederlandse en Vlaamse boekhandel: Meester van de trommels, over de macht van muziek en het bovennatuurlijke, over de kracht van liefde en over wat de geschiedenis zoal heeft voortgebracht. De auteur is een van de gasten van literair festival Writers Unlimited, dat van 22 tot 25 januari wordt gehouden in Den Haag. En een week later, donderdag 29 januari, vindt in het Noord-Portugese Vila Verde de opening plaats van een aan Agualusa gewijde tentoonstelling van Ana Carvalho, gebaseerd op de quotes zoals die eerder hier zijn verschenen. Daarover later meer.


Als eerste zagen ze de andua liggen, op zijn zij in de rode modder, als een schitterende afwijking. Zijn felgroene veren glommen in de klamme stilte van die ochtend in januari 1902. Een van de soldaten, Nande, rijzig als een baobab, knielde neer bij de vogel: ‘Hij heeft geen verwondingen.’

Vaandrig Luís Gomes Mambo hurkte nieuwsgierig naast de soldaat:

‘Ziek dus?’

De jonge soldaat haalde zwijgend zijn schouders op. Een paar meter verderop troffen ze nog meer dode vogels aan en kort daarna een kleine gazelle. De berg Halavala rees als een drijvend eiland boven de mist uit toen ze na een bocht in de weg een legerkamp in het oog kregen. Dat moest het peloton van sergeant Pedro Amado zijn. Luís Mambo had instructies gekregen om zich daar bij de sergeant te voegen, zo’n tien kilometer verwijderd van de mythische berg. Het was de bedoeling dat ze dan allemaal samen, de Portugezen en Boeren van Pedro Amado en de lokale eenheden onder leiding van Luís Mambo uit Cabinda, oprukten naar het gebied van een Portugese handelaar, Silvestre Souto da Mata, bijgenaamd ‘De Sul’, wiens winkels waren overvallen en geplunderd door strijders van Mutu-ya-Kevela, de koning van Bailundo.

Luís Mambo stond op. Hij was iets kleiner dan Nande en ongeveer even oud, maar hij liep altijd zo kaarsrecht dat hij langer leek, en was altijd zo in zichzelf gekeerd dat iedereen dacht dat hij ouder was. De vaandrig vermoedde het drama nog voor ze de eerste lichamen zagen.

‘Ik werd doodzenuwachtig van de stilte,’ legde hij drie maanden later uit aan luitenant Jan Pinto. ‘Je hoorde nog geen mug zoemen. Het was vroeg in de morgen en de lucht was kil en zwaar, als op een begrafenis. Op de hoogvlakte sta ik altijd vroeg op om tussen de bomen en struiken naar de vogels te luisteren. Dan is het net alsof de wereld voor je ogen ontstaat. U weet wel wat ik bedoel. Die ochtend voelde ik exact het omgekeerde.’

Ze telden vijfentwintig lijken. De meeste zonder steekwonden, kogelgaten, blauwe plekken of kneuzingen. Sommige soldaten lagen in foetushouding, met hun ogen open en hun gezicht verstard tot een uitdrukking van intens verdriet. Een van hen had een gat in de grond gegraven en zijn hoofd daarin gestoken. Vier mannen hadden zichzelf door het hart geschoten. Twee hadden hun polsen doorgesneden. Sergeant Pedro Amado had zijn geweer vastgezet tussen twee rotsen en zich daarna voorover op de scherpe punt van de bajonet laten vallen.

Niet in staat om te begrijpen wat er gebeurd was liep Luís Gomes Mambo van lichaam tot lichaam, probeerde zijn angst en afgrijzen te onderdrukken en dwong zichzelf de doden te bestuderen.

Zou iemand dat geloven?

Toen schoot hem te binnen dat hij foto’s kon maken. Hij liep naar de Boerenkar met de drie ossenkoppels, pakte zijn plunjezak en haalde zijn fototoestel tevoorschijn, een Kodakpocketcamera die hij twee jaar tevoren in Luanda bij een weddenschap had gewonnen van een Engelse reiziger. Het vierkante toestel in een hoes van rood leer was makkelijk te bedienen. ‘Een ware fotografierevolver!’ zo had de Engelsman het omschreven, en hij had gelijk. Luís Mambo maakte voor de verbijsterde ogen van zijn manschappen een tiental foto’s en stak het toestel terug.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*