Afonso Reis Cabral – De laatste grootvader

Zes jaar lang schreef Afonso Reis Cabral (Lissabon, 1990) aan zijn nieuwste roman, O último avô. Naar verluidt belandden meerdere versies in de prullenbak voordat hij de juiste snaar wist te raken. Want hoe vertel je over trauma’s die niet de jouwe zijn? Hoe vang je in woorden wat een koloniale oorlog in Afrika doet met een gezin, generaties later?

In zijn laatste boek beschrijft deze prijswinnende auteur (Prémio Leya 2014) hoe de onverwerkte herinneringen van het personage Augusto Campelo, een veelgeprezen Portugese schrijver die zijn diensttijd in Afrika doorbracht, doorwerken in het leven van anderen. 

Een week voor zijn dood verbrandt Campelo het manuscript waaraan hij jarenlang in het geheim heeft gewerkt. Zijn familie blijft achter met vragen: zou het de langverwachte roman zijn over de traumatische ervaring van de koloniale oorlog waarover hij zo vaak sprak, maar waaraan hij nooit een boek heeft gewijd? Aan zijn kleinzoon de taak om de waarheid te achterhalen en de gevoelige zenuw van de familiegeschiedenis bloot te leggen.


Dit is wat ze me hebben verteld: dat mijn grootvader een kuil had gegraven in de achtertuin en die vervolgens had volgegoten met benzine; dat hij daarna het manuscript erin had gegooid en er met een grijns op zijn gezicht een brandende lucifer in had laten vallen. Met wilskracht en brandstof is zelfs een klein vlammetje in staat tot grote dingen.

Jarenlang had hij gezwegen en zijn verhalen enkel toevertrouwd aan de bladzijden van een notitieboek dat hij verborgen had weten te houden. Hij leek wel zo’n gepensioneerde die door zijn laatste hobby, meestal iets als het opmaken van een vage familiestamboom of het aanleggen van een onbenullige postzegelverzameling, het contact met de actualiteit was verloren.

Hij praatte amper nog over vroeger, heel anders dan in mijn jeugd, toen hij vol verhalen over de oorlog zat: over jassen van goudbrokaat, schedels op Portugese stranden, gorilla’s met een zilveren vacht die door de straten van Cabinda liepen, staalkabels die tussen twee bomen werden gespannen om al wie voorbijreed te onthoofden, lichamen die opgestapeld lagen in de graafbak van een shovel, of het schot van een G3 dat regelrecht door de kont van een aap ging.

Ik vond het zo heerlijk om naar hem te luisteren dat ik alles voor zoete koek slikte, alsof verteller en toehoorder een pact hadden gesloten, en dacht dat mijn grootvader en de verteller een en dezelfde persoon waren. Het Afrika van mijn grootvader had altijd een positief randje, iets wat tegenwicht bood tegen het geweld. Als er een kind doodging, was er altijd wel een bloedvlek in de vorm van een roos en als er een stad werd geplunderd, was er altijd wel iemand die een blik bonen ging terugbrengen naar de winkel. De oorlog had zowel mooie als lelijke kanten, zoals ook mijn grootvader zijn mooie en lelijke kanten leek te hebben.

Vier jaar geleden kwam opa ten val in de badkamer; hij gleed uit op de tegelvloer en brak zijn vijfde middenvoetsbeentje. Voor een oude man als hij was het breken van een voet niet alleen een tegenvaller, het was een regelrechte ramp. Het had echter wel tot gevolg dat hij zich met nieuw elan op zijn notitieschrift stortte, waarvan het aantal bladzijden met de dag groeide.

Hij had ons verboden om rond te snuffelen in zijn bureau, dat in zijn werkkamer naast zijn leesstoel stond. We mochten niet eens in de buurt komen van dat schrift van hem. Dat was natuurlijk de kat op het spek binden en op een dag, toen mijn grootvader in de woonkamer in een vreemd taaltje zat te praten met een stel studentes van een Scandinavische universiteit die opeens voor de deur stonden en door iemand waren binnengelaten, glipte ik zijn werkkamer binnen en vond zijn schrift.

Voor mijn neus lag een manuscript. De letters dansten over de bladzijden. En nieuwsgierig als ik was, alsof ik eindelijk mijn grootvader ging ontmoeten, bladerde ik erdoorheen. Ik bladerde en bladerde – en stelde tot mijn schrik vast dat het kriebelige, bijna kinderlijke handschrift, dat vroeger op het mijne leek, voor mij onleesbaar was geworden. Maar niet voor hem.

Terug in de woonkamer zag ik hem praten met de meisjes, licht voorovergebogen om hun geur te kunnen opsnuiven. Ik snapte niet wat ze kwamen doen, maar veronderstelde dat ze, net als ik, mijn grootvader wilden leren kennen. Waarom eigenlijk? Hij was toch niet met hen bevriend? Ze hingen aan zijn lippen en zogen zijn woorden op als een spons. Toch leerden ook zij hem niet beter kennen.

Een tijdje later begon het te stinken in huis. Niemand wist waar de stank vandaan kwam, maar de geur hing door het hele huis en werd met de dag erger. We zochten overal, behalve in zijn werkkamer. Op een gegeven moment was Noélia het beu en trok ze de laden van het verboden bureau open. In de onderste la trof ze tot haar afgrijzen, in een boodschappentas, een dode duif aan. ‘De stank helpt me bij het schrijven’ verontschuldigde mijn grootvader zich tegenover een geshockeerde Regina, bij wie Noélia, met het duivenkarkas in haar hand, was gaan klagen. ‘Het is mijn derde duif al’, zei hij lachend, met een twinkeling in zijn ogen.

Noélia werd niet ontslagen. Maar sindsdien zorgde de frisse geur in huis ervoor dat de werkzaamheden van mijn grootvader, die steeds ouder en zwijgzamer werd, steeds meer verdiept in zijn notities, niet meer wilden vlotten. Het schrijven werd een taboeonderwerp en ook ik hield mijn mond erover.

Zijn boek had inmiddels enorme proporties aangenomen, net als de stilte, en mijn grootvader begroef zich erin, in die leren zetel van hem die zijn nieuwe schrijfplek was geworden. Hij had afscheid genomen van zijn bureau en van de dode duiven.

Buiten de slaapkamer, of in ieder geval wanneer er anderen bij waren, vroeg Regina hem nooit naar het manuscript. Niet dat het tussen haar en mijn grootvader niet boterde of dat het haar niet interesseerde, maar hij wilde er niets over kwijt; hij zweeg – als het graf en in alle toonaarden: hij was stil als een hartslag die was weggevallen.

Aanvankelijk vroegen we ons af of hij wel echt bezig was met een boek. Maar elke vraag hierover was taboe, een belediging bijna, iets wat je niet kon maken gezien de statuur van mijn grootvader. Toch kon ik het niet laten om te vragen waarover hij schreef.

‘Over Afrika’, antwoordde hij.

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*