Tavira revisited – A ilusão de uma alma

Door Harrie Lemmens


Fernando Pessoa had niet alleen zichzelf in zijn hoofd zitten, maar ook talrijke andere schrijvers en dichters. Hij noemde ze heteroniemen, omdat hij hun ook een leven buiten zijn brein gaf. Misschien wel de belangrijkste, en zeker een van de bekendste, Álvaro de Campos, flamboyant dichter en scheepsbouwkundig ingenieur, werd op 15 oktober 1890 geboren in Tavira, dicht bij de Spaanse grens in de Algarve. Hij vond op 30 november 1935 de dood met het overlijden van zijn schepper.

De stad vernoemde de prachtige bibliotheek uit 2006 naar hem en sinds 2014 wordt zijn verjaardag onder de bezielende leiding van de Braziliaanse Tela Leão gevierd met een heus festival, dat zich afspeelt tussen zijn geboorte- en sterfdag. Het kloppende hart van dat festival en van de dichter zelf bevindt zich in het Casa de Álvaro de Campos, in het centrum van Tavira.

Tela Leão speelt het ieder jaar weer klaar om een rijk en divers programma in elkaar te zetten waarin ze mensen uit de stad samenbrengt met genodigden van buiten. Geslaagde integratie heet zoiets. Ana stelde drie jaar geleden een aantal foto’s uit haar boek Het uurwerk van de ziel tentoon en wij beiden werden bij die gelegenheid geïnterviewd door Ricardo Belo de Morais, bevlogen voorvechter van het oeuvre van  Pessoa.


Dit jaar waren we er weer. Nu met een grotere tentoonstelling in de bibliotheek, A ilusão de uma alma – Der schijn van een ziel. Een keuze uit Ana’s foto’s en quotes van Pessoa en Mário de Sá-Carneiro zoals die verschenen zijn in Zuca-Magazine. Bij de inauguratie droegen de modernistische dichters twee brieven aan elkaar voor vanuit het hoofd van acteurs João Almeida en Celso Candeias. Die laatste ziet en hoort u hier als Fernando Pessoa. En de brief waaruit hij dit fragment leest, luidt in het Nederlands als volgt:

Beste Sá-Carneiro,

Ik schrijf je vanwege een sentimentele behoefte – een dringend verlangen om met je te praten. Zoals je hieruit kunt afleiden, heb ik je niets te vertellen. Alleen dit – dat ik me momenteel op de bodem van een bodemloze depressie bevind. De absurditeit van die zin moge voor mij spreken.

Vandaag is een van die dagen waarop ik nooit een toekomst heb gehad. Er is alleen een star, roerloos heden omheind door een muur van beklemming. De oever aan de andere kant van de rivier is, daar hij die van de andere kant is, nooit die van deze kant, en dat is de innerlijke reden van al mijn lijden. Er varen schepen naar vele havens, maar geen enkel schip vaart naar waar het leven geen pijn doet, en nergens kun je van boord om te vergeten. Dit alles is lang geleden gebeurd, maar mijn leed is ouder.

Op dagen dat mijn ziel is zoals nu, voel ik in iedere vezel van mijn lichaam dat ik een bedroefd kind ben dat door het leven werd geslagen. Men heeft mij in een hoekje gezet van waaruit je hoort spelen. Ik voel in mijn handen het kapotte speelgoed dat men mij uit blikken ironie heeft gegeven. Vandaag, de veertiende maart, om tien over negen ’s avonds, weet mijn leven dit naar waarde te schatten.

In het plantsoen dat ik half zie door de zwijgende ramen van mijn gevangenschap, zijn alle schommels over de takken gegooid waaraan ze hangen; ze zitten hoog opgerold en zo kan zelfs de gedachte aan vluchten in mijn verbeelding niet schommelen om de tijd te vergeten.

Zo ongeveer, maar dan zonder stijl, is mijn gemoedsgesteldheid van dit moment. Net als bij de dodewaakster uit ‘O Marinheiro’ branden mijn ogen van het feit dat ik eraan heb gedacht te huilen. Het leven doet me bij vlagen, bij beetjes, met tussenpozen zeer. Dit alles staat in een heel klein lettertype gedrukt in een boek waarvan het omslag loslaat.

Als jij het niet was aan wie ik nu schreef, zou ik moeten zweren dat deze brief oprecht is en dat de hysterisch samenhangende dingen die uit mijn pen vloeien spontaan opwellen uit wat ik voel. Maar jij zult maar al te goed aanvoelen dat deze onopvoerbare tragedie net zo reëel is als wat dan ook – vol van het hier en nu, en net zo werkelijk in mijn ziel als het groen van de bladeren.

Daarom heeft de vorst niet geregeerd. Deze zin is totaal absurd. Maar op dit moment voel ik dat absurde zinnen enorm veel zin geven om te huilen.

Het kan goed dat ik deze brief, als ik hem niet meteen post, morgen bij het herlezen besluit over te typen om er stukken uit op te nemen in het ‘Boek der rusteloosheid’. Maar dat doet niets af aan de oprechtheid waarmee ik hem schrijf, noch aan de pijnlijke onvermijdelijkheid waarmee ik hem voel.

Dit is wat ik te vertellen heb. Ook is er de oorlog met Duitsland, maar daarvóór al deed de pijn lijden. Aan de andere kant van het leven, zou het onderschrift van een cartoon kunnen luiden.

Dit is geen echte waanzin, maar waanzin zou een verlatenheid geven aan hetgeen waaronder men lijdt, een listig genot van de schommelingen der ziel, die hier niet erg van verschillen.

Wat voor kleur zou voelen hebben?

Duizendmaal gegroet, altijd je

Fernando Pessoa

PS – Ik heb deze brief in één ruk geschreven. Nu ik hem herlees, zie ik dat ik hem met alle zekerheid morgen overtyp voor ik hem stuur. Slechts zelden heb ik mijn psychisme zo volledig beschreven, met al zijn gevoelsmatige en rationele houdingen, met heel zijn fundamentele hystero-neurasthenie, met al die intersecties en hoeken in het zelfbewustzijn die daar zo karakteristiek voor zijn…

Ik heb toch gelijk, niet?

Foto’s Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*