Rui Zink – Het schrijfvirus (2)

Vorige week publiceerden we deel 1 van het verhaal O Bicho da Escrita van Rui Zink over een geheimzinnig schrijfvirus dat de wereld teistert. Vandaag deel 2.


In het begin was er zelfs sprake van een algemene euforie; kranten spraken van een ‘nieuwe geboorte’, critici van een ‘uniek moment’ in onze literatuur, de overheid van de kracht van ‘een nieuwe creatieve generatie’. Pas daarna kwamen er kleine aanwijzingen dat er iets mis kon zijn met die uitbraak van talent, maar niemand kon – of wilde – zien wat er gebeurde. En eerlijk gezegd waren er op dat moment al veel mensen besmet en begonnen met schrijven, eerst met enige aarzeling en verantwoordelijkheidsgevoel, daarna steeds uitzinniger – tot de laatste roman.

En nu? Nu leven we in een lugubere wereld, het zijn donkere tijden. En het is op zijn ergst als het winter wordt. ’s Zomers mist niemand de mieren, alleen de krekels. Maar als het winter wordt… De markten zijn leeg. De distributie van brood en andere basale voedingsmiddelen is stilgevallen, er wordt zelfs geen brood gebakken. De winkels zijn leeg, de deuren staan wagenwijd open maar de schappen zijn leeg. Niemand die ze bewaakt, niemand aan de kassa´s, niemand om het licht aan of uit te doen. In de supermarkten kun je alles wat je wilt meenemen naar huis in de winkelwagentjes. Maar als je geen muntje hebt, kun je ook geen wagentje pakken, want je kunt nergens geld wisselen.

Er zijn natuurlijk ook goeie dingen. Er is geen televisie meer. Er zijn geen series meer, geen realityshows, en de ironie is dat ze ophielden op het moment dat het aantal scriptschrijvers zich verduizendvoudigde. Alleen is er niemand meer is om het script te verfilmen: acteurs, cameramensen, grimeurs, regisseurs, producers, assistent-regisseurs, teams voor de verlichting, kleding, post-productie en montage zijn allemaal ieder voor zich het boek van hun leven aan het schrijven. En – moet ik het nog zeggen? – er is ook geen weerbericht meer. Ik vrees het ergste als de boten de zee op gaan zonder te weten wat voor slecht weer hun te wachten staat. Maar ik realiseer me onmiddellijk wat een onzin ik nu uitkraam. Er gaat geen mens meer de zee op, de vissers hebben hun netten, hun harpoenen, hun scheepsdek, hun aas in de steek gelaten en zijn allemaal met pen en papier verhalen aan het schrijven over schipbreuken, avonturen met vissen met onuitspreekbare namen, palimpsesten van Moby Dick, verbeterde versies van de Hemingway’s novelle De Oude Man en de Zee, aangepast aan de moderne tijd.

Even hiervoor heb ik gezegd dat ik waarschijnlijk de enige ben die het laatste persbericht van de regering heeft gelezen. Daarna heb ik dat gecorrigeerd en gezegd dat ik misschien niet de enige ben. Misschien ben ik feitelijk ook niet de enige, maar tot nu toe weet ik niet waar de anderen zijn, die anderen die nog niet zijn aangetast door deze collectieve gekte, noch weet ik of die zijn zoals ik of een mutatie hebben ondergaan. Ik heb geen idee waarom ik immuun ben gebleven voor het virus. Heeft het te maken met mijn DNA, mijn genetische code, met mijn bloedgroep, met een tekort (of overschot) aan melanine in mijn poriën? Ik heb onvoldoende wetenschappelijke kennis om het te verklaren zonder het risico te lopen om, wat zeker hier ongepast zou zijn, te vervallen in wetenschappelijke fictie of in fantastische waanideeën vermomd als objectieve wetenschap.

Als ik niet de enige ter wereld ben die, op dit moment, misschien wel het laatste moment van de mensheid, leest wat anderen schrijven, waar zijn dan mijn wapenbroeders?  Zouden we ons kunnen verenigen en een verzetsbolwerk op kunnen zetten, een ondergrondse organisatie die de strijd aangaat met het virus en door middel van studie, lectuur, theoretisch-praktische experimenten een oplossing zoekt om de mensen weer gezond te maken en de wereld weer te laten functioneren? Ik weet het niet. Ik geef toe dat ik niet veel hoop heb.

Ik ben een lezer. Ik weet wat ik ben: ik lees wat anderen schrijven. Ik doe dat zelfs dwangmatig. ´s Morgens aan het ontbijt, zelfs als ik geen krant voor me heb, met pagina´s verse inkt pal naast mijn kopje koffie, zoeken mijn ogen instinctief de tafel af, op zoek naar woorden, letters, zinnen om te lezen: ‘Corn Flakes’, ‘rijk aan vitaminen en mineralen’, ‘Albert Heijn, Sniederslaan 53’, ‘Planta, plantaardige margarine, 250 gram’… Daarna lees ik, naarmate de dag vordert, alles: alle kranten, alle advertenties, alle huisnummers, alle namen van alle doctoren op het bord van de polikliniek in de straat waar ik dagelijks doorheen loop. Ik lees alle romans die ik tegenkom, alle essays die ik kan lezen, alle gedichten die ik in handen krijg als ik tijdens de lunch een hapje ga eten in de lunchroom om de hoek van mijn werk, waar het mijn taak is alle documenten te lezen die ze op mijn bureau leggen, met precies die bedoeling, namelijk dat ik ze lees.

Ik weet werkelijk niet door welk wonder ik immuun ben geworden voor het virus. Het leuke is dat ik niet altijd zo was. Toen ik jong was, heb ik zelf ook geprobeerd te schrijven. Je kunt toch niet leven zonder dat te hebben geprobeerd! Dat waren andere tijden. Er was veel analfabetisme, het was een leven van werken. Later heb ik ontdekt dat ik liever wilde lezen. Maar, ik geeft het toe, daarvoor was ook ik bezeten van schrijven. Niks speciaals, geloof ik: wat gedichtjes, een of ander verhaal, twee of drie opzetjes voor een theaterdialoog. Maar het heeft geen zin het te verbergen, ik had het dwaze idee dat ik kon schrijven.

Misschien ben ik daardoor immuun geworden, misschien functioneerde mijn jeugdzonde – ik wil schrijver worden! – als vaccin. Dat heeft me beschermd, tot op heden, toegegeven, maar ik weet niet in hoeverre dat een zegen is of een vloek. Ik ben een lezer in een wereld vol schrijvers en daardoor voel ik me erg alleen. Want iedereen schrijft – maar niemand leest wat anderen schrijven. Niemand behalve ik. Ze hebben geen tijd. Ze gaan zo op in het vertellen van hun verhaal, met het ontwerpen van hun monument van verbeelding en kunst, dat ze geen tijd hebben om te lezen. En het is geen kwestie van geen tijd hebben; het lukt ze simpelweg niet. Het lukt ze niet om te lezen. En op een dag kunnen ze niet meer lezen. Zo komt er een eind aan de talen, nog voordat er een eind komt aan de wereld, want iedereen gaat steeds meer en meer schrijven in zijn eigen taal, in zijn eigen strikt persoonlijke code, voorbijgaand aan het feit dat communicatie tweerichtingsverkeer is en dat je, om te worden begrepen, de elementen voor dat begrip moet delen. Ze lezen niet. Ze schrijven alleen. En gaan dood. Zo groot is de macht, de krankzinnige perversie van het virus.

*

 En jij? Ik weet niet of je bestaat, beste mede-overlevende in deze wereld in verval. Als je dit leest, is het omdat je nog bestaat en je er dus van bewust bent dat er, ergens op deze planeet, misschien zelfs in jouw stad, iemand is die jouw angsten, jouw zorgen maar ook jouw hoop deelt. En misschien kunnen we elkaar ontmoeten en zou het goed zijn om wat ideeën uit te wisselen over het onderwerp, om de krachten te bundelen en anderen te zoeken zoals wij: lezers die immuun zijn voor het schrijfvirus. Ik begrijp best dat je eerste reactie misschien zal zijn te denken: ‘Die kerel probeert me voor de gek te houden. Hij is zelf schrijver, geen echte lezer. Hij is zelf besmet en wil me laten geloven van niet, waarschijnlijk met een of andere slechte bedoeling.’

Je hebt volkomen gelijk om zo te denken, zou ik ook doen als ik zo´n verhaal tegenkwam. Wij zijn niet wantrouwig van nature, maar wantrouwig geworden – en van wantrouwen is nog nooit iemand slechter geworden. Kissinger had gelijk toen hij zei dat zelfs paranoïde mensen vijanden hebben. Ik vraag je slechts om het voordeel van de twijfel. Vraag ik het je? Ik smeek het je. Zie mij aan, ik zit op mijn knieën en smeek je om mij te geloven. Dit is geen verhaal, geen fictie. Ik probeer slechts oprecht contact te krijgen met iemand die bestaat aan de andere kant van de pagina.

Ik reik je de hand. Overweeg alstublieft de mogelijkheid om uw hand naar mij uit te steken.

Nog even dit. Schrijf geen antwoord. Ik realiseer me dat u misschien immuun bent, maar je weet maar nooit. Kom gewoon. Ik zal u weten te herkennen. En u zult mij ook gemakkelijk herkennen. We zullen de enigen zijn – op dat plein in die tuin, dat café, of waar we elkaar ook zullen ontmoeten – die daar vredig zitten met een glimlach om de lippen en een opengeslagen boek in de hand.

Vertaling Jos van den Hoogen
Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*