Jos van den Hoogen vertaalde voor ons het korte verhaal O Bicho da Escrita (‘Het schrijfvirus’) van schrijver en vertaler Rui Zink (Lissabon, 1961). Het gaat over een geheimzinnig virus waardoor iedereen aan het schrijven slaat en de hele wereld vastloopt en tot stilstand komt. Iedereen schrijft, niemand leest nog. Er vindt geen communicatie meer plaats. Hoewel het verhaal ruim twintig jaar geleden werd geschreven (2004), is het actueler dan ooit. Hieronder deel 1 en hier vindt u deel 2.

Al mijn vrienden schrijven. Prima. Al mijn vrienden houden van schrijven. Fantastisch. Zelf heb ik ook geen hekel aan schrijven, hoewel ik het niet meer doe. Schrijven is goed. Woorden schrijven. Dingen schrijven. De wereld schrijven. De wereld in ons. En de wereld buiten ons. Al mijn vrienden schrijven. Al mijn vrienden zijn schrijvers. Al mijn vrienden maken boeken.
En het ergste is dat het niet alleen mijn vrienden zijn. Andere mensen ook. Mijn buren schrijven – gedichten. De postbode schrijft – reisboeken, geloof ik. De serveerster in het café schrijft detectives, de bankmedewerker schrijft liefdesverhalen, de eigenaar van de kruidenierswinkel schrijft historische romans. Mijn moeder schrijft sciencefiction, mijn broers schrijven stripverhalen, zelfs onze verre neven en nichten schrijven, bestsellers geloof ik, maar dat weet ik niet zeker, het kunnen ook gewoon essays zijn over neo-Visigotische hermeneutiek.
Alleen mijn vader schrijft niet, want die is al overleden. Als hij nog leefde, zou hij zeker schrijven, en ik weet zelfs wat: schelmenromans. In het ziekenhuis schrijven alle zieken en de artsen die hun de recepten voorschrijven, schrijven ook. Van inclusieve literatuur tot medische literatuur, zelfs verpleegkundigen, ambulancepersoneel, dienstdoende politieagenten en baliemedewerkers blijven maar schrijven.
De situatie is zorgwekkend. De regering heeft al aangekondigd dat ze maatregelen gaat nemen. Het is niet uitgesloten, zo gaf de regeringswoordvoerder toe, dat de noodtoestand wordt afgekondigd. De regeringswoordvoerder zegt niets meer, hij is zelf aan de ziekte ten prooi gevallen. Ik heb toevallig gelezen wat hij schreef, maar ik weet niet of het serieus was, wat hij zei – of schreef – of gewoon een nieuw hoofdstuk van zijn nieuwe (allerinteressantste) politieke fictie. Waarschijnlijk ben ik trouwens de enige die het gelezen heeft, of, vooruit dan, één van de weinigen. Want er moeten toch meer mensen zijn zoals ik, daar mag ik toch vanuit gaan, niet? Het is goed om het feit dat ik verder niemand ken zoals ik niet te verwarren met de, wellicht voorbarige, aanname dat er niemand ís zoals ik.
De ziekte is uitermate besmettelijk en doet ebola verbleken tot een kinderziekte, zo groot is de snelheid waarmee het virus zich verspreidt en wordt overgedragen. De incubatietijd is drie tot zes uur, waarna het slachtoffer, tot dan toe een normaal mens, plotsklaps een schrijver wordt. De ziekenhuizen barsten uit hun voegen, volgepropt met mensen die niet zonder hun dosis pen en papier kunnen. En ze moeten steeds meer schrijven, de dosis verhogen, want ze hebben alsmaar meer ideeën, alsmaar meer liefde voor literatuur, voor mooie woorden, voor de poëzie die schuilgaat achter die mooie woorden, ja zelfs achter de lelijke, zo zeggen de terminale gevallen.
Wetenschappers zijn er nog niet in geslaagd het virus te isoleren, of een tegengif te vinden, of zelfs eenvoudigweg de oorsprong van het virus te achterhalen, of de aard ervan te verklaren, want … ja, inderdaad, ze zijn allemaal bezig met schrijven. Er zijn al mensen die uitgemergeld zijn en weggeteerd door ondervoeding. Niet verwonderlijk, en zelfs heel logisch, hoe bedenkelijk het ook is: ze schrijven, maar eten niet, dus sterven ze.
Overal gebeuren ongelukken. Automobilisten raken en masse van de weg. Overal in de stad hoor je explosies. Taxichauffeurs schakelen moeiteloos naar de derde versnelling, herinneren zich een zin, beginnen te schrijven, laten het stuur los en… Vreselijk.
Zelfs kinderen beginnen te schrijven. Zij die het alfabet nog niet kennen, verzinnen er een, of krabbelen symbolische poppetjes en verzinnen verhalen, verhalen, verhalen. Baby´s van een jaar, wat zeg ik, van een paar maanden, pakken een pen, een potlood en bewegen hun gesloten knuistjes naar voren en naar achteren met een ongekende behendigheid. Natuurlijk verscheuren ze uiteindelijk het papier en krabbelen ze de hele vloer onder, over de randen van het uiteengerukte witte vel heen, maar daar zitten ze niet mee, ze gaan onophoudelijk door met het schrijven van de symbolen van de wereld. En hun ouders malen er niet om want ze zijn zelf bezig met schrijven. En wat is nou een helemaal vol gekrabbelde vloer in vergelijking met een briljant kinderverhaal waarin een prinses een ridder helpt om niet te verdwalen in het donkere woud waar hij een kwaadaardige draak gaat bevechten met als enige geschenk een lok van haar mooie blonde haren? Nou?
Dit hebben we nog nooit meegemaakt. De situatie is ernstig, neemt rampzalige proporties aan en er zijn geen signalen dat het afneemt. Ik zou het graag anders willen zeggen, maar er is geen andere manier: de wereld loopt het risico te bezwijken onder het gewicht van zoveel romans, verhalen, essays, novellen en gedichten. Ja, van die gedichten zijn er meer van dan moeders. Oden, elegieën, herdersgedichten, adagia, sonnetten, kwatrijnen, limericks, disticha, dithyramben, alexandrijnen, pastorale gedichten, rondelen, acrostichons, klankgedichten, prozagedichten, sonnetten, vrije verzen.
Ik wil geen paniek zaaien. De aarde is al enigszins uit haar baan geraakt. En het aantal schrijvers en dichters blijft dag na dag toenemen. En het aantal geschreven woorden. En de innovatieve zinnen: korte, lange, zinnen van één woord (‘Hij. Zei. Tegen. Haar.’), zinnen zonder komma’s over tweehonderd pagina’s (‘Het heeft geen zin om hier een voorbeeld te geven dat zou tweehonderd pagina’s in beslag nemen maar dit kleine voorbeeld is misschien al voldoende om een idee te geven of nog beter is het om ten minste nog een halve regel aan deze idiote zin te besteden zodat het idee dat ik over wilde dragen duidelijker en overtuigender wordt en ik denk dat het voorbeeld nu wel voldoende is het is duidelijk denk ik’), syntactische verdraaiingen en kronkels die je niet voor mogelijk of redelijk zou houden.
Je vraagt je altijd af: ‘Wat gaan ze nog meer uitvinden?’. Of ‘Valt er nog wel iets uit te vinden?’. Dat vroeg ik me tenminste vroeger af, vóór de epidemie. Want als de ziekte iets heeft bewezen, dan is het wel dat de mogelijke uitvindingen – en het menselijk vermogen om uit te vinden – onuitputtelijk zijn. Het is triest, maar dat is de harde realiteit. De menselijke verbeelding dijt constant uit, net als het heelal. De menselijke verbeelding is als een zwart gat. Ze slokt alles op. En de mensheid loopt het risico zichzelf daardoor te vernietigen. Door een teveel aan verbeelding, door een teveel aan talent, door een teveel aan creativiteit.
Er is, in alle eerlijkheid, een limiet aan alle artistieke en culturele productie. Of er zou een limiet moeten zijn, want kennelijk is die er niet.
En dan nog de kwaliteit. Ja, want wie ben ik om dat te ontkennen? Mensen schrijven niet alleen, maar bovendien is wat ze schrijven, goed, interessant, waardevol, het lezen waard, heeft het een persoonlijke stijl en neemt het een plaats in in de literatuur die nog niet bezet was, omdat je, voordat die bezet werd, niet wist dat die plek bestond en ingenomen kon worden. Ieder creëert zijn eigen niche met dezelfde passie en dezelfde millimeterige precisie waarmee de zwaluw zijn nest bouwt. En hoewel het zeker is dat één zwaluw nog geen lente maakt en één schrijver nog geen literatuur, zijn vele zwaluwen samen, duizenden, miljoenen, miljarden zwaluwen samen, meer dan genoeg om naar believen een hele reeks lentes te maken: vooral van het soort waarop als toegift een flinke portie zomers, herfsten en natuurlijk winters volgt. Daar zit hem de kneep.
En dat is ook het geniale van het virus. Het zet mensen aan tot schrijven – en tot goed schrijven. Als het hun de wens gaf, maar niet het talent, zouden ze nog steeds hetzelfde zijn als de anderen. Een arts die na honderden pagina’s ontdekt dat hij niet verder is gekomen dan het parodiëren van Simon Vestdijk, kan nog altijd weer als dokter gaan werken, datgene doen waar hij echt goed in is. Een advocate die beseft dat we niet allemaal Agatha Christie kunnen zijn, kan zich nog steeds nuttig maken voor haar klanten. Maar wat te doen met een verloskundige die prachtige pagina’s schrijft? En met een advocate die ons tot de laatste alinea in het ongewisse laat over wie de dader is? Nou? Het is triest. Het is tragisch. Het is ondraaglijk. Goed opgebouwde verhalen, met onbetwistbaar vakmanschap, geloofwaardige personages, teksten waaruit blijkt wat de essentie is van literatuur: dat de schoonheid van een tekst niet in de woorden schuilt, maar daarbuiten.
(Wordt vervolgd)
Vertaling Jos van den Hoogen
Foto Ana Carvalho
Leave a Reply