Jan Oldenburg – Het onzichtbare boek

Als eerbetoon aan de schrijver en vertaler Jan Oldenburg (1959-2025), die op 4 augustus jl. onverwacht overleed, publiceren we hieronder nogmaals een stuk van hem waarin hij vertelt over een ontmoeting met de Braziliaanse cineast en schrijver Vicente Cecim (1946-2021) in een boekhandel. Jan woonde en werkte sinds 2006 in Belém, Brazilië, van waaruit hij regelmatig bijdragen stuurde voor Zuca-Magazine. Zijn ervaringen in die miljoenenstad beschreef hij in Boêmio, een in het Portugees geschreven semi-autobiografie, die hij voor een Nederlandse versie bewerkte tot Inkt op papier. Meer over Jan leest u in de herinneringen die Ger Leppers onlangs met onze lezers deelde.


Dit is te gek voor woorden! Eén geschikte boekwinkel in de stad en ik loop te zoeken waar die dan wel zit. Dokter Moraisstraat, zeiden ze. Ja, die ken ik. Begint achter het Soledade-kerkhof en loopt dan helemaal naar de rivier. Maar van een boekhandel niets te zien hier. Zal het verdomme aan het einde van de straat zijn, in de wijk Guama, zal je altijd zien. Een bus nemen en daar proberen? Geen tijd, Vicente staat vast al te wachten. Tenzij ook hij opgehouden is door de tropische regenbui, natuurlijk. Ja, ja, ik weet het, die Brazilianen zijn nou niet bepaald klokvast te noemen, maar ik wil het risico niet nemen. Goed, tot de tweede zijstraat dan, als ik dan nog geen winkel heb gezien kan ik daar op de bus stappen. En dan loop ik toch ineens voorbij Fox, geen Vicente te zien. De winkel lijkt Europees, niet zo’n inloopgeval als de meeste zaken hier. Zelfs aan de etalage is enig esthetisch gevoel besteed. Een uitzondering waar ik een sigaret lang naar blijf kijken. Laatste as, het filter wordt warm in mijn vingers. En het wordt al donker, deze keer valt de avond. In de winkel gaan de lichten aan, een magere man met een baardje staat een boek te bekijken. Sector Filosofie, geeft een bordje aan. Het kan bijna niemand anders zijn … ‘Vicente?’ Geen groet, maar plotseling het boek dat hij in zijn handen had onder mijn neus. Of ik Plinius ken. Nou heb ik niet veel op met dode filosofen, maar ooit heb ik voor mijn lessen Latijn iets van die gast moeten vertalen. Naturalis Historiae – dat lijkt te passen hier aan de oevers van de Amazone.
Maar Vicente bouwt een eigen wereld, Andara noemt hij die. Zijn element is vooral de stilte, de lege regel, het bijna blanke blad. Net als zijn zachte stem heeft het iets boeddhistisch, zelfs als hij het over hindoeïsme heeft. Of over mythen en legenden uit de streek. Het lijkt of hij alles aan elkaar wil lijmen, in zijn hoofd maar ook in de boeken die hij schrijft. De nieuwe legende! Daar lijkt hij wel wat op als we buiten voor de deur een sigaret staan te roken. Karakteriserend baardje, een mager gezicht – eigenlijk zou hij zo door kunnen gaan voor een moderne en mannelijke versie van Matinta Pereira. Het enige verschil is dat hij niet morgenvroeg terug hoeft te komen voor zijn tabak. Ik waarschijnlijk wel want dit is mijn laatste sigaret en om deze tijd is er in deze buurt niets te roken meer te krijgen. Mythische figuur of niet, Vicente rijgt alles aan elkaar. Voordat ik het goed en wel doorheb is het gesprek ineens beland bij de Bhagavad Ghita, het ‘heilige’ boek van de Hindu-religie. Ook dat werk is – op een heel eigen manier – verweven met het Andara, waar hij steeds naar terugkeert. Het is een ’tegenwereld’, waarin hij ademt. En die gedachte brengt mij bij een net zo ontastbaar begrip als ‘antimaterie’. Dat dan weer doorglipt naar de quantumtheorie. “JA!”, Vicentes stem wint nét dat kleine beetje volume ‘Ik wil je graag dit boek geven, je begrijpt waar het om gaat.’
Uit een oude, hier en daar verkleurde aktetas diept hij een paar boeken op. Te veel om in de hand te houden, een klein boekje valt op de grond. A asa e a serpente (‘de vleugel en de slang’), uitgegeven door één van de twee grote regionale dagbladen. Ik herken de afmetingen, de kleurstelling; dit is een deeltje van een kleine reeks die de literatuur van de streek onder de aandacht moest brengen. En natuurlijk is dit nou net één van de deeltjes die ik nog niet had gezien. Het omslag is een beetje vochtig en er plakt wat zand op, maar ik sla het boekje open om een stukje te lezen. Of ik het wat vind? Nou, na alles waar we het over gehad hebben zie ik hier een begin van Andara, dat wel. Ik wil best verder lezen, maar we zijn hier om elkaar te leren kennen, Vicente en ik. Maar omdat hij merkt dat ik aandachtig lees en een paar vragen stel, gebaart hij dat ik dat kleine boekje dan ook maar in mijn rugzak moet stoppen. In zijn hand een ander boek, groter en met veel groen op het omslag. Een vinger tikt tegen de witte letters van de titel. Hoe ik dat zou vertalen? ‘O Serdespanto’, een ook in het Portugees niet-bestaand woord en ik ken de inhoud van het boek niet. Tot mijn geluk komt goede raad soms gratis en valt de oplossing met een donderslag in mijn hoofd. Zo lang ik de tekst niet echt ken, ga ik het maar bij ‘Het huiverwezen’ laten. En dat moet ik terugvertalend dan uiteraard aan Vicente uitleggen. Zijn stem trilt nu, hij wordt enthousiast, ja, dát was een goede gedachtegang van me, vindt hij. Met een aan de winkelbalie geleende pen schrijft hij de datum in het boek, en dat het voor mij is. Mijn eigen exemplaar, jawel. Ik beloof een vertaling te maken van het titelgedicht en dat beklinken we met een koffie aan de bar van de boekhandel.
Vicente noemt zijn Andara ‘het onzichtbare boek’, maar mijn exemplaar is dan toch maar gematerialiseerd; ik zie het pronken op de bar. En toch… toch is het geen boek, het is een brouwsel van Vicentes brein, van zijn kennis van de mystiek en de mythen. Het is de rook van een sigaret, de laatste die we samen roken. Morgen hoef ook ik niet terug om mijn tabak te halen, Vicente drukt me een bijna vol pakje in de hand als afscheid.

Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*