Bij de dood van Luis Fernando Verissimo (1936-2025)

Door Harrie Lemmens


Afgelopen zaterdag, 30 augustus overleed in Porto Alegre, drie weken voor zijn negenentachtigste verjaardag, schrijver Luis Fernando Verissimo, de Braziliaanse koning van de column. Tientallen bundels vlogen over de toonbank. Maar hij werkte ook als journalist, schreef verhalen en speelde saxofoon in het kleinste sextet van de wereld: het telde slechts vijf leden. En hij publiceerde vijf korte romans, ware kleinoden. Twee daarvan heb ik vertaald, De engelenclub en De spionnen. En met Kerstmis 2010 hebben Ana en ik hem opgezocht voor het schrijven van God is een Braziliaan. In oktober 2015 ontmoetten we hem en zijn vrouw Lucia opnieuw tijdens literair festival Fólio in het Portugese Óbidos, en een maand later in Porto Alegre, toen mijn boek in Portugese vertaling (van de hand van Mariângela Guimarães) verscheen. Geweldige ontmoetingen, die we koesteren. Onvertaald is nog zijn fantastische spel met spiegels Borges e os orangotangos eternos, rond Borges en Edgar Alan Poe. Nederlandse uitgevers, waar wachten jullie op? Als hommage en In Memoriam volgt hier het begin van De spionnen, en zijn bijdrage aan onze rubriek Kinderjaren kunt u hier lezen.


Ik heb letteren gestudeerd en zoek vergetelheid in de drank. Maar ik drink alleen in het weekend. Van maandag tot vrijdag werk ik op een uitgeverij, waar ik onder andere manuscripten moet beoordelen die hier aankomen met de post, binnenvliegen door de ramen, van het plafond omlaag vallen, opschieten uit de vloer of door Marcito, de baas van de uitgeverij, op mijn bureau worden gesmeten met de woorden: ʻKijk ’ns of dit iets is.’ Die stortvloed van auteurs die bij ons willen worden uitgegeven begon nadat een boekje van ons, met de titel Liefde en astrologie − een sterrengids voor verliefden, zoveel succes had dat Marcito er twee nieuwe motors van kon kopen voor zijn verzameling. Ineens wisten ze ons te vinden en de stroom manuscripten droogt maar niet op. Ik bekijk ze en beslis over hun toekomst. ’s Maandags heb ik altijd een kater en de manuscripten die ik dan krijg verhuizen rechtstreeks van mijn trillende handen naar de prullenbak. En de afwijzingsbrieven die ik op maandag schrijf zijn bikkelhard. Ik raad de auteur niet alleen aan om nooit meer iets op te sturen, maar ook om nooit meer een regel, een woord of zelfs maar een reçuutje te schrijven. Als Oorlog en vrede op een maandag op mijn bureau zou belanden, zou ik de schrijver laten weten dat hij beter uien kon gaan poten. Cervantes? Houd toch op, hombre. Flaubert? Proust? Laat me niet lachen. Graham Greene? Ga pillen draaien. Zelfs Le Carré zou niet ontsnappen. Een keer heb ik een vrouw die Corina heette aangeraden om te gaan stofzuigen en de wereld haar overduidelijke demente waan dat ze een dichteres zou zijn te besparen. Op zekere dag kwam ze zwaaiend met het door mij afgewezen boek, dat bij een andere uitgever verschenen was, mijn kamer binnenstormen en slingerde het naar mijn hoofd. Als iemand mij vraagt waar ik dat kleine litteken boven mijn linkeroog vandaan heb, zeg ik: ʻVan de poëzie.’

Corina heeft inmiddels al een aantal boeken met gedichten en gedachten gepubliceerd. Met groot succes. Ze stuurt me elke keer een uitnodiging voor de presentatie en signeersessies. Ik heb gehoord dat haar laatste werk een verzamelbundel is van al haar poëzie en proza, vierhonderd bladzijden dik. Met harde kaft. Ik ben als de dood dat ik die baksteen nog een keer tegen mijn kop aan krijg.

Een onomwonden dreigement kwam van Fulvio Edmar, schrijver van Liefde en astrologie, die nooit het auteursrecht over zijn werk heeft gekregen. Hij had zelf de eerste druk betaald en vond dat hij daarom als enige het copyright en de bijbehorende royalty’s moest krijgen over alle drukken die waren verschenen nadat het boek een klapper was geworden. Marcito was het daar niet mee eens en ik moest de steeds grovere inningsbrieven van Fulvio Edmar beantwoorden. We hebben elkaar jarenlang per brief uitgescholden, zonder elkaar ooit te ontmoeten. Hij had al tot in detail beschreven hoe mijn ballen de plaats in zouden nemen van mijn amandelen als dat mocht gebeuren. En ik had hem fijntjes laten weten dat ik altijd een boksbeugel op zak heb.

Zelfs mijn felste afwijzingsbrieven, mijn maandagmorgenuitvallen, eindigen met een vriendelijk PS. Dat moet van Marcito. Als de persoon in kwestie bereid is de uitgave van zijn boek te bekostigen, zal de uitgeverij met alle plezier haar beoordeling herzien enzovoort. Ik ken Marcito van school. We waren puistenkoppen van vijftien. Hij wist dat ik de beste opstellen van de klas schreef en stelde voor om seksverhaaltjes te schrijven, die hij aan elkaar niette tot een blad genaamd De Rukker en tegen betaling uitleende, op voorwaarde dat het de dag daarna terugkwam zonder vlekken. Na school hebben we elkaar jaren niet gezien, tot ik erachter kwam dat hij een uitgeverij begonnen was. Toen heb ik hem opgezocht, want ik had een roman geschreven en wilde die uitgeven. Nee, niks seks. We haalden herinneringen op aan de tijd van De Rukker en lagen herhaaldelijk dubbel van het lachen, maar Marcito zei dat hij mijn roman niet kon uitgeven, een spionageverhaal over een fictief Braziliaans kernprogramma dat was afgebroken door de Amerikanen. Tenzij ik het zelf zou betalen. Zijn uitgeverij was net van start gegaan. Samen met een oom van hem, een fabrikant van kunstmest, die de uitgeverij alleen maar wilde om een maandblad te publiceren voor zijn klanten in de deelstaat. Maar Marcito deed me een voorstel. Hij liep met plannen rond om er een echte uitgeverij van te maken en had hulp nodig van iemand. Als ik bij hem kwam werken zou hij mijn roman misschien publiceren. Hij kon geen geweldig salaris beloven, maar … Ik herinnerde me dat hij het uitleengeld van De Rukker nooit met mij gedeeld had. Hij zou me beslist opnieuw uitbuiten, maar het idee om op een uitgeverij te werken trok me. Per slot van rekening had ik letteren gestudeerd. Ik werkte in een videotheek en was, dertig jaar oud, net getrouwd met Julinha. João (Julinha wilde niet dat hij Le Carré zou heten) stond op het punt geboren te worden en ik zei ja. Dat was twaalf jaar geleden. Mijn eerste taak op de uitgeverij was het overtikken van een encyclopedietekst over kameleons voor het maandblad. Een profetische keus: kameleons zijn dieren die zich aan alle omstandigheden aanpassen en verdwijnen tegen de achtergrond. Dat doe ik sindsdien. Ik lees manuscripten. Schrijf brieven. Redigeer zowat het hele maandblad om de verkoop van kunstmest te stimuleren. Ik klaag en ik drink. En langzaam verdwijn ik tegen de achtergrond.’

De spionnen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2012.

Foto’s Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*