Door Ger Leppers

Facebook beschouwde ik jarenlang voornamelijk als een speeltje voor kinderen. Totdat de covid-pandemie uitbrak, en het een van de weinige manieren bleek te zijn om mijn isolement in ons Vlaams dorpje te doorbreken. Jeugdige personen trof ik op Facebook nauwelijks aan. Het geesteskind van Mark Zuckerberg was inmiddels eerder een geriatrische voorziening geworden, waar mijn generatiegenoten de boventoon voerden.
Eén van de eerste vriendschapsverzoeken die ik ontving was afkomstig van een zekere Jan Oldenburg, die van de gelegenheid gebruik maakte om vriendelijk te reageren op een stukje dat ik in ‘Zuca-Magazine’ had gepubliceerd. Oldenburg bleek een Nederlander te zijn die woonachtig was in Brazilië, in Belém om precies te zijn, midden in het Amazonegebied.
Al snel ontdekte ik, gaandeweg zijn immer hartelijke en opgewekte berichten, dat deze Oldenburg niet alleen in geografisch opzicht een uitmiddelpuntige landgenoot was. Hij bleek ook de auteur van een in het Portugees geschreven kleine autobiografische roman, ‘Boêmio’ – een boek, schreef hij herhaaldelijk op zijn Facebook-pagina, “in de lijn van Henry Millers ‘Quiet Days in Clichy’, Knut Hamsuns ‘Honger’ en Dostojevsky’s ‘Witte nachten’.” Uitgegeven in eigen beheer, daar midden in het Braziliaanse oerwoud.
Oldenburg bleek een gretig lezer die graag over boeken van gedachten wisselde. Hij was met name een liefhebber van het werk van de wat ruigere jongens zoals Jack Kerouac en Blaise Cendrars. En hij legde juist de laatste hand aan een Portugese vertaling van ‘Het Dwaallicht’, dat wij beiden als een absoluut hoogtepunt van de Nederlandstalige literatuur beschouwden. Dat schiep een band. Is die vertaling ooit in druk verschenen? Daarover heb ik nooit iets vernomen.
Beetje bij beetje kwam ik meer te weten over mijn tropische correspondent. Net als ik bewaarde hij warme herinneringen aan de persoon en aan de colleges van August Willemsen, bij wie wij beiden in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw aan de Universiteit van Amsterdam de Braziliaanse letterkunde hadden bestudeerd. We moeten elkaar daar net zijn misgelopen.
Later in zijn leven was Jan danig aan het zwerven geslagen en hij had nu, op zijn zestigste, een roerig bestaan achter de rug. Hij had onder veel meer een tijdje gewoond in Setubal, had ooit kennelijk samengeleefd met een Peruaanse. Heeft hij een tijdje in Cuzco gewoond? Daarvan staat me iets bij. Uiteindelijk vertrok Jan naar Brazilië, eerst naar São Paulo, en later naar Belém.
Hoe belandt een Hollander in een godvergeten uithoek als Belém? Vermoedelijk door de liefde, want Jan, begreep ik al snel, was een romanticus pur sang, met een licht ontvlambaar hart. In Belém nestelde hij zich in de lokale scène en voorzag hij in de kost als leverancier van taalkundige hand- en spandiensten: als vertaler, als talenleraar, als toeristengids en als auteur van artikelen in de lokale pers. Een vetpot was het niet. Soms liet Jan weten dat hij een tijdje off-line was geweest omdat hij geen geld had om zijn internetabonnement te betalen.
Dat moet erg vervelend voor hem zijn geweest, want ik ontdekte al snel dat hij overal in literair Nederland zijn voelhorens had uitgestoken. Ik kon geen vriendschapsverzoek van een literair actief persoon ontvangen of Jan maakte al deel uit van diens vrienden. Er waren beginnende schrijvers onder, die hij met zijn raad begeleidde. Er was geen uitgeverij waarmee hij niet in contact was. En ook met menige gevestigde auteur bleek hij FB-betrekkingen te onderhouden.
Op het laatst, toen de jaren gingen tellen, begon het leven in Brazilië Jan toch zwaar te vallen, en hij liet mij weten dat hij terug wilde naar Europa en dat zijn keuze op Brussel was gevallen, omdat Den Haag, de stad van zijn hart en zijn jeugd, te duur was. Hij overwoog zich in de deelgemeente Molenbeek te vestigen. Ik waarschuwde hem dat Molenbeek een heel beroerde reputatie heeft, maar Jan antwoordde dat hij in Brazilië wel het een en ander gewend was, en dat hij het leven in een ‘no go zone’ als Molenbeek met een gerust hart tegemoet zag. “Erger dan hier zal het in Brussel moeilijk kunnen zijn,” schreef hij. Voor mijn geestesoog zag ik de toekomstige ex-Braziliaan en neo-Belg al gewapend met een machete door de straten van Brussel lopen.
Bovendien, liet Jan me weten, kende hij de Belgische hoofdstad al goed, want hij had er in een vroeger leven als internationaal ambtenaar gewerkt. Nu brak mijn klomp! Jan, de onvervaarde, ontembare, rusteloze en genereuze vrijbuiter, de onbevreesde bewoner van de meest ongure buitenwijken van het onzalige tropische gat Belém, de eeuwig op verliefdheid verliefde romanticus, de kenner van nagenoeg alle vormen van clandestien gestookt vuurwater van Brazilië, de man die zo graag mild koketteerde met zijn onaangepaste jeugdjaren, had ooit hetzelfde leven geleefd als ik: om half negen op kantoor, eerst koffie drinken en de kruiswoordpuzzel van De Volkskrant oplossen, en daarna met de gortdroge documenten aan de slag op de schrijfmachine, tot de koffiepauze, daarna de lunch, om vijf uur naar huis, en tussendoor wat flirten met de secretaresses. Dat Jan mij ook op deze manier zou verbazen, had ik nooit verwacht.
Jan was, naast de liefde, altijd bezig met de literatuur en de grootste droom die hij in zijn leven koesterde was, denk ik wel, om gepubliceerd te worden. Zijn beste teksten waren ook beslist de moeite waard. Hij stuurde mij destijds een pdf van zijn korte roman ‘Boêmio’, waarvan hij een tweede druk had laten opleggen, en waarover ik een bespreking schreef. Maar vooral ontving ik de tekst van het eerste hoofdstuk van wat de Nederlandse bewerking van dat boek moest worden, ‘Inkt op papier’, een meeslepend relaas over zijn leven aan de Braziliaanse zelfkant, geschreven als in een tropische koortsroes. ‘Inkt op papier’ betekende veel voor hem, en op zijn Facebookpagina postte Jan regelmatig door hemzelf vervaardigde omslagontwerpen voor het boek.
Op 4 augustus 2025 is Jan Oldenburg in Belém overleden, 65 jaar oud. Wat zou het mooi zijn als de laatstgenoemde tekst, het beste bewijs van Jans kunnen, ooit nog eens in druk uitgebracht zou worden, al was het desnoods maar op bescheiden schaal. Zo zou deze rusteloze man alsnog op de plek kunnen belanden waar hij zich misschien het liefst zou hebben gezien: in onze boekenkasten.
Leave a Reply