Sinds 3 maart ligt er weer een nieuwe Lobo Antunes in de boekhandel, De omvang van de wereld, bij een nieuwe uitgeverij, Van Maaskant Haun. Het is de laatste roman van de grote naoorlogse Portugese schrijver, hij zal er geen meer toevoegen aan de tweeëndertig die hij geschreven heeft, waarvan dit de veertiende in Nederlandse vertaling is. Arjan Peters schreef er een enthousiaste inleiding bij en de coverfoto is van Ana Carvalho. Hier als amuse-gueule het begin van hoofdstuk twee, met een filmpje waarin de Nijmeegse actrice Linda Willems het leest. Op zes maart hebben we het boek met Jeroen Vullings ten doop gehouden in Haarlem, bij Boekhandel Athenaeum, samen met een tweetalige special van ons eigen Zuca-Magazine, gewijd aan Lobo Antunes, Um mundo – Een wereld. Daarover later meer.

De eerste keer dat ik me mijn vader herinner was in het parkje bij ons souterrain, ik bedoel van mijn moeder en mij, waar zij ’s zomers soms op de verveloze gammele bank ging zitten dromen, met altijd een stel duiven om haar heen die met hun vleugels als handen op hun rug
(‘Drie keer raden in welke hand het snoepje zit meisje’)
de hendel van hun hals heen en weer schoven om hun poten in beweging te brengen, terwijl ik in de schommel zat te wachten tot iemand me duwde en ik met mijn tenen de wolken kon raken, ineens stond daar een lange man die ik niet kende bij mijn moeder en toen zij met haar kin naar mij wees, keken ze allebei naar mij, en ze bleven zwijgend naar me staren
(ik ben wat fletsjes)
tot de man op een bepaald moment een stap in mijn richting zette en bleef staan, een tweede stap en weer bleef staan, ik dacht even dat zijn mondhoeken omhoog zouden gaan voor een glimlach en dan wegfladderen boven de daken, maar hij lachte toch niet, dat zijn vingers wilden zwaaien maar zich beschaamd terugtrokken in zijn jaszak, en toen kwam er een zwerm mussen, tientallen, honderden, duizenden mussen, aanvliegen vanaf het Stadhuisplein, draaide een rondje boven het parkje, zodat we niks meer konden zien, en verdween met de kiosk, de schommel, de duiven en alle huizen in het rond, alleen mijn moeder en ik bleven over, we liepen in het schemerdonker dat voorafgaat aan de avond naar ons souterrain, waar de zwakke gloeilamp aan het plafond, je moet zuinig aan doen, liet weten
‘Jullie zijn alleen’
en de schaduwen langer maakte, bijvoorbeeld van mijn moeder, minder afgetekend, met haar arm uitgestoken naar het fornuis, waar ze als een oosterse circusgoochelaar met de zesde vinger van een lucifer een krans van blauwe vlammetjes tevoorschijn toverde, de kast, zo onbenullig nu, staarde ons aan met de scheve ogen van zijn glazen knoppen, waarvan er een gebroken was, de klok breide minuten met de naalden van de wijzers, ze tikten de sjaal van de tijd op weg naar de nacht als alleen wij tweeën bestonden, want als ik in slaap viel verdween mijn moeder in het niets, alleen nog maar af en toe een krakende tree of de losse woorden die uit de kraan van de droom in een stem druppelen, van wie weet je niet, die
‘Alberto’
riep naar niemand, wat voor Alberto, mijn lichaam verdwaald in het laagtij van de nacht, waar de schittering van de ring flikkerde als stro dat deint op het zuchten van het water, mijn moeder gewichtloos, een iets helderder trilling, meer niet, misschien de alg van een haarlok op de kussensloop, en ik alleen op de wereld, weggezonken in de matras zonder haar te durven roepen, denkend aan de grote man met wie ze arm in arm staat op het fotootje op de commode, allebei een stuk jonger dan in het parkje, met een glimlach van wat mij gelukkige gêne leek, op een strand, zo te zien aan de zee die zachtjes bewoog in het lijstje, heen weer golvend als een rommelende buik, soms was het ’s nachts moeilijk om tot rust te komen omdat het water op het kleedje oorverdovend bulderde, plus daarbij een scheepstoeter ver weg of gekrijs van een meeuw, ik wist zeker dat er iemand in het donker binnen was gekomen, want mijn lichaam veranderde zonder dat ik

wakker werd, een enorme hand wekte de indruk mijn schouder aan te raken en zo mijn dromen een andere kant op te sturen en me te beletten boven de wijk te zweven, een stem die zachtjes
‘Och kijk toch hoe ze slaapt’
verliet me ten slotte meteen toen mijn moeder
‘Maak haar alsjeblieft niet wakker’
en vervolgens stemmen verder weg en weer dichterbij, de hakken van mijn moeder steeds driftiger
‘Wou je de hele avond naar haar blijven kijken?’
en de druk op mijn hoofd waardoor ik niet kon vliegen verdween
‘Alleen maar even aaien’
en daarna niets, stilte, leegte, en daarna hun gefluister heel ver weg, en daarna een kraan, en daarna borden, en daarna opnieuw de stemmen, eerst de ene en daarna de andere en toen door elkaar heen, en daarna mijn moeder
‘Mag ik ook weten waarom je niet meer komt’
en daarna op straat een ziekenwagen die mijn bed liet trillen en alles streperig rood kleurde, gillend, gillend, een boze stem bij de voordeur die met stenen van woorden gooide
‘Donder op’
die op die van mijn moeder leek als zij ineens dik was geworden
‘DONDER OP’
maar ik kreeg mijn ogen niet open om dat na te gaan, want haar zwijgen drukte zwaar op me en ik kon me niet bewegen, had ik de schommel bij de hand gehad en mezelf kunnen duwen dan was ik tot aan het dak gevlogen, zo hoog komt geen enkele schreeuw, de stem van mijn moeder, nu alleen, leunde tegen de deur en bleef gebieden
‘Donder op’
terwijl ze tegelijk een schaduw die niet meer bestond probeerde vast te pakken en de herinnering aan een vertederd gefluisterd
‘Och kijk toch hoe ze slaapt’
lichter dan de stappen die langzaam oplosten in het parkje
(dat doet me denken aan van die zuurtjes vroeger die wegsmolten op je tong)
en jarenlang was dat de vader die ik had, een foto die mettertijd vergeelde en echo’s die nagalmden, een leeg glas op het aanrecht, een knoop, ik herinner me een geur die soms dichterbij kwam en pas veel later begreep ik dat het zijn geur was, even ver weg als het
‘Och kijk toch hoe ze slaapt’
dat op mijn schouder of mijn voorhoofd leek te liggen tot mijn moeder
‘Maak haar niet wakker’
en hoewel ik daar toen natuurlijk niet aan dacht, durf ik nu te wedden dat ze jaloers op me was om mijn vader, was hij soms ook ooit lief voor haar, had hij ook ooit oog voor haar (…)

De omvang van de wereld (O tamanho do mundo)
António Lobo Antunes
Vertaald door Harrie Lemmens
Uitgeverij Van Maaskant Haun, 2025
340 blz.
ISBN 9789083402284
Leave a Reply