Jan Oldenburg – Boêmio

Door Ger Leppers


Schrijvers die een vreemde taal zo vaardig hanteren dat ze er boeken in kunnen schrijven heb ik altijd zeer bewonderd. Joseph Conrad, Cioran en Nabokov hanteerden hun aangenomen schrijftaal subtieler en virtuozer dan menigeen wiens moedertaal het was. 

Hoe moeilijk het is om in een andere taal dan de moedertaal te schrijven blijkt te onzent wel uit het snelle einde van de Engelstalige carrière van Gerard Reve. Jan de Hartog bracht het er beter van af, net als Maarten Maartens – de Nederlandse kampioen op dit gebied. Tegenwoordig is Maarten Maartens nagenoeg vergeten, maar ooit werden zijn boeken uitgegeven in de befaamde Tauchnitz-Edition. In 1905 ontving hij, tegelijk met niemand minder dan Thomas Hardy, een eredoctoraat van de universiteit van Aberdeen en in 1907 een tweede van de universiteit van Pittsburg. In datzelfde jaar werd hij met zijn dochtertje Ada in audiëntie ontvangen door de president van de Verenigde Staten, Theodore Roosevelt – wiens kinderen, zo gaat het verhaal, voor de gelegenheid zelfs het lied ‘Klein, klein kleutertje’ hadden ingestudeerd.

Of Jan Oldenburg, die sedert een jaar of twintig woont en schrijft in de tropische stad Belém, in de Amazonedelta, ooit door de president van Brazilië zal worden ontvangen, ligt nog in de schoot der goden. Maar met zijn in eigen beheer uitgegeven autobiografische roman ‘Boêmio’, die overloopt van de liefde voor dit tropische land, heeft deze ras-avonturier in elk geval een eerste stap in de goede richting gezet. 

Want een ding lijkt me alvast onbetwistbaar: Oldenburg is dieper doorgedrongen in de maatschappij waarin hij inmiddels al zo’n twintig jaar leeft dan wie van de bovengenoemde andere Nederlandse schrijvers ook. Zijn korte, duidelijk autobiografische roman, met ongeveer de lengte van een boekenweekgeschenk, is een kleurrijk en vol vaart geschreven verslag van het leven aan de zelfkant van een tropische miljoenenstad. 

De lezer maakt kennis met een Europeaan die zich met moeite maar tegelijk ook met plezier staande houdt in een arme volkswijk, waar hij bij een vriend op een kermisbed slaapt. Geld is voor hem steeds het dringendste probleem, een kaartje voor de bus naar een erotisch rendez-vous is voor hem al een diepte-investering. Vaak heeft hij zelfs het geld niet voor een telefoongesprek. Soms kan hij wat lessen Engels geven of heeft hij een kleine vertaalklus, vaker slentert hij langs de hotels aan de Avenida Presidente Vargas, de dorpsstraat van deze miljoenenstad, in de hoop er een Amerikaanse of Europese toerist te kunnen aanspreken aan wie hij toeristische of zakelijke hand- en spandiensten kan bieden, en die hij desgewenst ook nog kan helpen om een vriendinnetje voor één of meer nachten te vinden.  

Treurigheid troef, zou men misschien geneigd zijn te denken. Maar dat is buiten het optimisme van Oldenburgs hoofdpersoon gerekend. Die slaagt er, met een soort hoogstpersoonlijke combinatie van fatalisme en een gelijkmoedig soort levensvreugde, in om ondanks zijn zorgen te genieten van het bestaan aan de rafelranden van de maatschappij. De erotiek speelt daarbij een hoofdrol. Daar in Belém flirt namelijk iedereen met iedereen van zonsopgang tot zonsondergang, en niet te vergeten van zonsondergang tot zonsopgang, het avontuur ligt overal en altijd voor het opscheppen. Iedereen staat op elk moment van de dag als vanzelfsprekend open voor een flirt, die niet zelden al snel uitmondt in een kort verblijf in een shabby motel. “Alles draait hier om seks”, merkt de verteller op, die in de loop van het boek  samen met de lezer in hoog tempo kennis maakt met Irene, Dora, Adriana, Anabela, Andreza, Erina, Conceiçāo, Patricia, en nog diverse anderen. En wie was die Leila ook alweer, van wie hij ooit twee telefoonnummers in zijn aantekenboekje moet hebben genoteerd?

Geen van deze dames kan het echter opnemen tegen Maria, al wordt niet helemaal duidelijk waarom, want al deze vrouwen lijken eerlijk gezegd onderling sterk verwisselbaar. Bovendien is er in het geval van Maria een extra probleem: zij woont in één van de gevaarlijkste en verste wijken van de stad, Terra Firma, waardoor het niet eenvoudig is haar te bezoeken. De knipperlichtachtige relatie met Maria is de rode draad die al de schilderachtige, losse belevenissen van de hoofdpersoon met elkaar verbindt. Tussendoor krijgt de lezer een liefdevol geschetst beeld van het bestaan in Belém.

De Nederlandse lezer zal zich wellicht afvragen of het boek te vergelijken is met de ’Braziliaanse brieven’ van August Willemsen – bij wie Oldenburg in een ver verleden nog college heeft gelopen. Ook Willemsen toonde in zijn boek immers een voorkeur voor de zelfkant van de Braziliaanse maatschappij. Maar die vergelijking gaat mank, het gaat om twee heel verschillende boeken. In de eerste plaats heeft Oldenburg zijn boek geschreven in het Portugees, en is het dus niet bestemd voor een Nederlands publiek. En in de tweede plaats, en dat is misschien wel een nog groter verschil, vertoefde Willemsen steeds maar een aantal maanden in het land. Willemsen bleef altijd in de eerste plaats Amsterdammer en op de achtergrond was er altijd de zekerheid dat hij binnen niet al te lange tijd terug zou keren naar de bruine kroegen van zijn dierbaar Mokum. Hij schreef zijn brieven aan vrienden in het vaderland, en bleef uiteindelijk toch de Nederlandse universitair. Daarom ging hij zo uitgebreid in op alles wat Nederlanders in het land kon opvallen aan schilderachtigs. 

Voor de wereldburger Oldenburg daarentegen, die in de loop van zijn leven in zo’n twee dozijn verschillende landen heeft gewoond en geleefd, zijn al dergelijke door Willemsen als kenmerkend genoemde zaken na een verblijf van zo’n twee decennia in het Amazonegebied gesneden koek, vertrouwd en vanzelfsprekend. Voor zijn Braziliaanse lezerspubliek hoeft hij daar ook niet al te uitgebreid op in te gaan. Weinig folklore dus, in dit boek, maar een forse greep uit het rauwe leven aan de zelfkant van de hardvochtige Braziliaanse maatschappij. Zelf rekent Oldenburg zich tot de club van de wildere boys in de wereld van de schone letteren. Hij voelt zich verwant met de Henry Miller van ‘Quiet Days in Vichy’, de Knut Hamsun van ‘Honger’ en de Dostoievsky van ‘Witte nachten’, en dat is aan zijn ‘Boêmio’ goed, en op aangename wijze, te merken.

Jan Oldenburg: Boêmio. Uitgegeven in eigen beheer. Het boek is te bestellen bij de auteur via de PM-functie van zijn facebookpagina.

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.