Betina Anton – Het geheime netwerk dat Josef Mengele liet verdwijnen

Door Kitty Pouwels

Tijdens mijn eerste Braziliëreis, meer dan drie decennia geleden, doorkruiste ik het land per bus. Dagen- en nachtenlang staarde ik verbluft uit het raam terwijl een hele wereld zich voor mijn ogen ontrolde. Een wereld waarin mensen een bijverschijnsel leken. Hoe makkelijk om hier kwijt te raken, te verdwijnen en nooit meer tevoorschijn te komen! 

Dat dat niet voor iedereen makkelijk of zelfs maar mogelijk is geweest, hebben meerdere nazikopstukken na de Tweede Wereldoorlog ervaren. Ondanks hun pogingen om ongezien te blijven werden zij opgespoord, de oceaan over gevlogen en berecht. Helaas gold dat niet voor Josef Mengele, die, na decennialang op diverse plaatsen in Argentinië, Paraguay en ten slotte Brazilië te hebben gewoond, in 1989 tijdens het zwemmen een beroerte kreeg en verdronk aan de kust van São Paulo. Waarna hij onder een valse naam in stilte werd begraven. 

De Braziliaanse journaliste Betina Anton, die opgroeide in de Duitse wijk van São Paulo, maakte als kleuter mee dat haar lievelingsjuf van het ene op het andere moment van haar school verdween. Rond die verdwijning hing een sfeer van geheimzinnigheid. Later ontdekte ze dat de lerares bevriend was geweest met Mengele, die bij haar gezin over de vloer kwam en door haar kinderen ‘oom Peter’ werd genoemd. Samen met haar man en een klein netwerk van nazisympathisanten had ze hem geholpen om uit handen van de politie, de Mossad en andere nazi-jagers te blijven. 

Betina Anton besloot haar vroegere juf op te zoeken, een ontmoeting die meer vragen dan antwoorden opleverde. In haar boek beschrijft de journaliste op basis van uitvoerig onderzoek en interviews met vele betrokkenen stapsgewijs in welke context Mengele zijn gruweldaden heeft kunnen begaan, welke hulptroepen er na de oorlog werden opgetuigd om zijn verblijf in Zuid-Amerika mogelijk te maken en hoe uiteindelijk de waarheid aan het licht werd gebracht. Hieronder een fragment uit het boek.


Het was alsof ik een fictief personage in vlees en bloed zag. Ik stelde me voor als oud-leerling en journalist. Ze vroeg me wat ik wilde. Ik zei dat ik dat zou vertellen als ze naar de poort kwam, waar ik stond. Ze sputterde even tegen, maar kwam toch naar beneden. Dat ik haar met ‘tante Liselotte’ had aangesproken, had haar waarschijnlijk nieuwsgierig gemaakt, of misschien was ze gevleid. Ze glimlachte en stak me haar hand toe. Haar vingers waren een beetje kromgetrokken, wat haar gevorderde leeftijd verried. We stonden tegenover elkaar met tussen ons in een poort die tot ons middel kwam. Ik legde uit dat ik een boek over Mengele wilde schrijven. Ze zei dat ze daar met niemand over praatte, niet eens met haar eigen kinderen. ‘Ze hebben me een flink bedrag geboden voor een interview, maar dat geef ik niet,’ zei ze met klem. ‘Waarom niet?’ vroeg ik. ‘Het maakt toch niets uit. Volgens de een zit het zus, en volgens de ander zo,’ antwoordde ze. We praatten verder over alledaagse dingen.

Ineens liet ze zich een wat vage bekentenis ontglippen: ‘Ze denken vaak dat met het ouder worden alles naar boven komt. Dat is niet zo. Het blijft allemaal netjes zitten.’ Ze brak haar zin af zonder nadere uitleg, lachte en praatte verder met dat zware accent, in een soms gebrekkig Portugees. ‘Kijk, het zit zo, we hebben afgesproken dat als ik mijn mond hou, de Joden me met rust laten. Dus heb ik mijn mond gehouden. Ik heb een gezin, dus ik práát er niet over.’ ‘Maar welke Joden hebben dat dan tegen u gezegd?’ vroeg ik. Stilte. ‘Menachem Russak. Hij was de Nazijäger.’ Menachem Russak bestond echt, en hij bevond zich in São Paulo in de tijd dat het gebeente van Mengele daar werd opgegraven. Hij stond aan het hoofd van de speciale Israëlische eenheid die als taak had nazi-oorlogsmisdadigers op te sporen.

Na een korte stilte noemde ze een andere onverstaanbare naam, iemand die volgens haar consul was. Wat voor consul zou dat zijn? vroeg ik me af. ‘Hebben ze u bedreigd?’ vroeg ik. ‘Nee hoor, zíj doen dat niet. Hoe kun je dat nou zeggen? Dat kán toch niet,’ antwoordde ze op ironische toon. Ik vroeg of ze nooit spijt had gehad dat ze haar ‘vriend’ had geholpen, waarbij ik ervoor zorgde de naam Mengele niet te noemen, omdat ik merkte dat die een soort taboe voor haar was. ‘Dat is wat anders, want ik heb twee kinderen, hè,’ antwoordde ze. ‘Maar wat heeft het hebben van spijt te maken met uw kinderen?’ vroeg ik niet-begrijpend. ‘Ken je de Gezetze van de Talmoed?’ vroeg ze, opnieuw Portugees en Duits door elkaar mengend. ‘Volgens de wetten van de Talmoed gaan ze tot aan het zevende kind van de familie. Het is geen angst, maar ik kan het niet,’ besloot ze. Ze legde niet uit wat ze bedoelde.

In de Talmoed, een verzameling Joodse boeken waarin de gesprekken van rabbijnen staan opgetekend en die de voornaamste bron van het Joodse recht is, staat iets over wraak tot in de zevende generatie. Dat gaat terug op de Bijbel, Genesis: de bestraffing van de misdaad van Kaïn komt in de zevende generatie, met zijn afstammeling Lamek die hem vermoordt. Zou ze werkelijk geloven dat ze bestraft zou worden in toekomstige generaties?

Het gesprek werd steeds geheimzinniger. En mijn kleuterjuf begon me angst in te boezemen. De straat was leeg. De persoon op de bank bleef binnen. Wie zou dat zijn? Hoewel Liselotte zei dat ze niet over de zaak Mengele wilde praten, bleef ze me tegelijkertijd van alles vertellen. Veel antwoorden bleven beperkt tot een hoofdschudden of een sinister lachje. Met horten en stoten ging het gesprek verder. Ineens zei ze: ‘Zal ik jou eens wat vertellen?’ ‘Ja,’ antwoordde ik, een beetje angstig. ‘Gewoon tussen jou en mij: laat deze zaak met rust.’ Mijn ogen verwijdden zich. Waarom zou ze dat zeggen? Was dit een dreigement? Inderdaad, zo bleek direct. ‘Dat is beter voor je,’ ging ze verder. ‘Veel, heel veel dingen die niemand weet… die weet ik.’ Ze lachte. ‘Nu moet u het me ook vertellen,’ drong ik aan. ‘Nee,’ antwoordde ze ernstig. ‘Ik vertel helemaal niets, want het is menens, de afspraak die ik met ze heb. Als iemand tegen jou zegt: “Hoor eens, je hebt kinderen…”’ insinuerend dat ze serieus was bedreigd door de eerdergenoemde mannen.

Weer viel er een langdurige stilte. En mijn angst groeide. Waar wilde ze eigenlijk naartoe? Was ze mij aan het bedreigen? ‘Het is beter om je mond te houden over dat onderwerp. Er is heel wat geld over tafel gerold. Héél wat geld,’ zei ze opnieuw raadselachtig. Ik was verbluft en wist niets te zeggen. Ondanks de intimiderende sfeer praatten we verder. Ze vroeg of ik man en kinderen had. Ik probeerde te doen alsof dat normale vragen van een oude bekende waren, maar voelde onmiddellijk dat ik werd onderzocht. Ik werd steeds nerveuzer. Ze vuurde verhulde en onverhulde dreigementen op me af, het ene na het andere. ‘Zoek iets anders om te onthullen, iets minder gevaarlijks. Want geloof me, deze kwestie is gevaarlijk,’ zei ze. ‘Voor mij? Maar van wie denkt u dat dat gevaar komt?’ hield ik me van de domme. Weer een stilte. ‘Dat ga ik niet zeggen,’ zei ze. Het duizelde me. Ik probeerde te doen alsof er niets aan de hand was. Ik stelde een laatste, luchtige en triviale vraag in een poging het gesprek minder beladen te maken: ‘Mist u de school?’ Ze antwoordde: ‘Missen niet. Ik ben tevreden met mijn leven. Er zijn veel mensen die me verafschuwen, maar wat kan ik eraan doen? Ik weet zeker dat ik niets verkeerds heb gedaan, klaar uit.’ Ik wenste haar nog een fijne zondag en zei dat ik het zou laten weten als het boek uitkwam. Ik liep weg, de hoek om, uit het zicht van die vrouw, en versnelde mijn pas.

Foto’s Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.