Mário de Sá-Carneiro – De bekentenis van Lúcio

Mário de Sá-Carneiro was de korte tijd van zijn leven (1890-1916: hij pleegde op zesentwintigjarige leeftijd zelfmoord in Parijs) eng bevriend met Fernando Pessoa, en het kernprobleem bij beiden is de verhouding van het ik, het zelf, met en tot de ander – in abstracte zin –, of, anders gezegd, tussen schijn en wezen. Is wat werkelijk is altijd waar?

In 1993 vertaalde ik de korte roman A Confissão de Lúcio uit 1914 voor De Arbeiderspers, nu verschijnt deze Portugese klassieker opnieuw in een ander jasje (van Ana Carvalho) en met een voorwoord van Arjan Peters bij Uitgeverij Nobelman. Hier het woord vooraf van hoofdpersoon Lúcio Vaz.


Na tien jaar gevangenisstraf te hebben uitgezeten voor een misdaad die ik niet heb gepleegd en waarvoor ik me desondanks nooit heb verdedigd, beroofd van iedere lust om te leven en te dromen, zonder nog iets te kunnen hopen of iets te verlangen, zal ik nu dan eindelijk een bekentenis afleggen, dat wil zeggen, mijn onschuld bewijzen.

Waarschijnlijk gelooft men mij niet. Nee, heel zeker gelooft men mij niet. Maar dat doet er weinig toe. Het belang dat ik erbij heb te roepen dat ik Ricardo de Loureiro niet heb vermoord, is nihil. Familie heb ik niet, ik hoef niet te worden gerehabiliteerd. Trouwens, wie tien jaar heeft gezeten, kan niet meer gerehabiliteerd worden. Dat is de simpele waarheid.

En degenen die lezen wat hier staat en mij vragen: ‘Maar waarom heeft u uw bekentenis toentertijd niet afgelegd? Waarom heeft u uw onschuld niet voor de rechtbank bewezen?’ – die zal ik antwoorden: Ik kon me niet verdedigen. Niemand zou me geloven. En het had geen zin om mezelf te laten doorgaan voor een oplichter of een dwaas… Bovendien moet ik bekennen dat ik na de gebeurtenissen waarin ik mij destijds verwikkeld zag, innerlijk zo verscheurd was dat de gevangenis mij een heerlijk iets leek. De gevangenis was vergetelheid, rust, slaap. Een einde als ieder ander, een punt achter mijn verwoeste leven. Ik verlangde dan ook alleen maar naar het eind van het proces, zodat ik mijn straf kon gaan uitzitten.

Dat proces was overigens gauw voorbij. Het leek zo’n duidelijk geval…! Ik ontkende niet en bekende niet. Maar wie zwijgt, stemt toe… En ieders sympathie lag bij mij.

De misdaad was, zoals de kranten indertijd ongetwijfeld zullen hebben geschreven, een ‘crime passionel’. Cherchez la femme. Verder was het slachtoffer een dichter – een artiest. De vrouw was door spoorloos te verdwijnen veranderd in een romanfiguur. Al met al was ik een held. En een held gehuld in een waas van mysterie, waardoor ik nog meer een aureool om me heen kreeg. Onafhankelijk van het schitterende pleidooi van mijn advocaat liet de jury daarom verzachtende omstandigheden voor me gelden. En mijn straf was kort.

 Ach, heel kort! Vooral voor mezelf… Die tien jaren vlogen om als tien maanden. Het is nu eenmaal zo dat de tijd geen invloed meer kan hebben op iemand die een moment heeft beleefd waarin heel zijn leven geconcentreerd ligt. Wanneer je het toppunt van lijden hebt bereikt, kun je nergens meer door lijden. Wanneer je de grootste gevoelens hebt beleefd, brengt niets je meer aan het wankelen. Alleen zijn er maar weinig mensen die zo’n ingrijpend moment meemaken. Degenen die dat wel doen, zijn levende doden zoals ik, of in het hoogste geval ontgoochelden, die vaak ten slotte zelfmoord plegen.

Nochtans weet ik niet of het een groter geluk is als zo’n groot moment niet bestaat. Zij die het niet beleven, kennen rust – misschien. Toch weet ik het niet. En in feite wacht iedereen op dat lumineuze moment. Dus is iedereen ongelukkig. Ziedaar waarom ik er ondanks alles trots op ben het te hebben beleefd. 

Maar laten we een punt zetten achter dit gemijmer. Ik schrijf hier geen roman. Ik wil alleen maar glashelder de feiten uiteenzetten. En omwille van die duidelijkheid sla ik een verkeerde weg in, lijkt het me. Hoe helder mijn bekentenis overigens ook wil zijn, het zal er, dat weet ik nu al, onherroepelijk op uitdraaien dat het de meest warrige en verwarrende, en daarom minst heldere is.

Ik garandeer echter een ding: tijdens die bekentenis zal ik geen enkel detail laten ontsnappen, hoe klein of op het eerste gezicht irrelevant het ook moge zijn. Bij gevallen als dit kan helderheid alleen maar komen van een volledige opsomming van de feiten. En het zijn louter feiten die ik zal vermelden. Laat wie dat wil maar conclusies trekken uit die feiten. Ik verklaar hierbij dat ik dat nooit heb geprobeerd. Ik zou ongetwijfeld gek worden.

Maar wat ik nogmaals op mijn erewoord verzeker, is dat ik de waarheid spreek. Het kan me niet schelen of men mij gelooft of niet, maar ik vertel niets dan de waarheid – ook al is die ongeloofwaardig.

Mijn bekentenis is louter een document.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.