De Japanse concubine

Door Ruud Engelander

“Iedereen is de karikatuur van een enkel personage dat niet bestaat. Niemand van ons zou kunnen voorkomen in een realistische roman. We zijn allemaal vals, totaal onecht.” 
(Fernando Pessoa: Crónicas Decorativas

Fernando Pessoa (1888-1935) is waarschijnlijk de bekendste auteur die ooit in Portugal heeft geleefd. Om zich vrij te voelen als schrijver bedacht hij andere schrijvers. Hij gaf ze een naam en een aantal eigenschappen en schreef hun boeken onder hun namen.

De bekendste van deze niet-bestaande schrijvers was Álvaro de Campos. Volgens Pessoa was hij geboren in Tavira op 15 oktober 1890. Tavira is een kleine stad in de Algarve, niet ver van de grens met Spanje. In deze stad wordt zijn (nog steeds fictieve) verjaardag al jaren gevierd, sinds 2015 met een festival “Verjaardagsfeest voor Álvaro de Campos”, met deelname van veel lokale kunstenaars en hun organisaties.

Er zijn aanwijzingen dat Álvaro de Campos’ vader naar Japan verhuisde toen zijn zoon nog heel jong was. Hij werkte in het Portugese consulaat in Kobe als cultureel attaché en woonde samen met een Japanse concubine met wie hij uiteindelijk in het huwelijk trad. Met haar had hij nog een zoon.

Men denkt dat het zijn idee was om professor Boro van de Universiteit van Tokyo uit te nodigen voor een lezing voor de Universiteit van Lissabon in 1914, een bezoek dat door Fernando Pessoa vermeld werd in de krant O’Raio.

Toen zijn vader was vertrokken bleef de jonge Álvaro (hij had zijn vaders naam gekregen) achter in Portugal bij zijn moeder en haar broer, een priester. Van zijn oom leerde hij  Latijn, zoals Pessoa schreef in een brief van 13 januari 1934 aan Adolfo Casais Monteiro. 

De vader ging maar één keer terug naar Tavira. Hij bracht cadeaus mee, kunstvoorwerpen uit de Nambantraditie, die nog steeds te zien zijn in een van de vele kerken in Tavira.

Álvaro senior had Japans geleerd en vertaalde enkele regels van door zijn zoon geschreven gedichten, tijdens de enige keer dat die hem in Japan bezocht.

De jonge Álvaro nam de gekalligrafeerde vertaling op een oud stuk rijstpapier mee terug naar Tavira, samen met een foto van een Japanse familie, in een leren map met de handtekening van de dichter.

Die map dook jaren later op, op een vlooienmarkt in Tavira. Deze vondst was het begin van een avontuurlijke zoektocht naar de waarheid.

Over deze zoektocht gaat de korte film ‘De Japanse concubine – drie monologen‘, gemaakt door Tela Leão en Ruud Engelander. Hieronder een paar korte fragmenten en een link naar de film. De volledige tekst vindt u hier.


Álvaro de Campos Senior

1.
Ik was zijn vader.
Toch heb ik hem nooit goed gekend.
Hij was mijn zoon, en ik zou graag denken
dat hij me aardig vond. Maar ik zal het nooit weten.
Hij was te jong en nu is hij dood, net als ik.
Hebben we sporen nagelaten? Of is onze dood onopgemerkt gebleven?
Ik was diplomaat. Hij was schrijver.

2.
Hij heeft me ooit een paar gedichten gestuurd.
Volgens mij zijn ze nooit in druk verschenen.
Ik was zo ver weg. Japan, godsamme!
Denk je dat we daar boeken hadden?
Alleen plaatjesboeken van schipbreukelingen.
Pornografie meestal.
En gebedenboeken.
Van wanhopige mannen.

3.
We woonden samen.
Een jaar, misschien twee.
We woonden in hetzelfde huis.
Ik herinner me hem nog goed.
Veel lawaai. En babygeur.

4.
De dag dat hij geboren werd…
Het ging niet vlot. Ik moest de hele nacht opblijven.
Toen hij er was, ging ik slapen. Oef!
Eindelijk!

5.
Toen ik wakker werd, dacht ik: die jongen moet een naam hebben.
Ik heet Álvaro.
Waarom noemen we hem ook niet zo?
Het is een mooie, krachtige naam. Makkelijk te onthouden.
Dus, Álvaro zou het worden. En is het nog steeds. Of was.

6.
Zijn moeder was een heilige.
Ze kookte, maakte schoon. Ze verzette zich niet
toen ik wegging.
Ik ging zo ver weg als ik maar kon.
Japan. Kobe.
Ik heb haar niet gevraagd om mee te gaan. Of ze heeft het niet aangeboden.
Dat weet ik niet meer. Het is al lang geleden.
Er was geen sprake van liefde.


De Japanse concubine

1.
Oké dan, luister naar dit verhaal. Mijn verhaal.
En zeg me daarna of ik het verzonnen heb.
We zijn hier als volwassenen onder elkaar
en we zijn niet wereldvreemd.
Toch? Laten we daar voor het gemak maar vanuit gaan.

2.
Dus die man komt op me af en vraagt:
Mag ik je iets te drinken aanbieden?
Midden op straat,
midden in de stad.
Terwijl de zon hoog aan de hemel staat.
Niet erg subtiel, toch?
Maar zo ging het echt. Ik had dorst,
en hij zag eruit als een heer.

3.
Laat me uitleggen hoe het zit.
We zijn in Kobe, Japan, en hij is niet van hier.
Hij is een gaijin. Een buitenlander!
In mijn vak kom je veel buitenlanders tegen, laten we eerlijk zijn.
Een vrouw moet de kost verdienen.
En een man heeft zijn pleziertjes nodig.
Zo is het en niet anders. Maar toch,
een meisje aanspreken midden op straat,
dat is not done, dat doe je hier niet.
Kwestie van fatsoen, snap je?


De moeder

1.
En ik dan? En ik dan? En ik dan?
Hoe zit het met mij? Heb ik geen naam?
Schandalig gewoon.
Wie denken jullie wel dat jullie zijn?
Wie denken jullie wel dat ik ben?

2.
Ik zal jullie eens even vertellen wie ik ben.
Ik ben de vrouw van de man die me heeft verlaten.
Ik ben de vrouw van de man die nooit achterom heeft gekeken.
Omdat hij dat kon. Omdat hij zich die luxe kon permitteren.
En ik? Ik niet.

3.
Op een dag, in de vorige eeuw,
nee, in die daarvoor,
zegt hij tegen me, terwijl de jongen op mijn schoot zit:
‘Ik moet gaan’.
Ik vraag: ‘Waar naartoe?’
Hij zegt: ‘Ik weet het niet’.
En ik weet het nog steeds niet.


Vertaling Marilyn Suy

Foto’s Ana Carvalho

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.