Lídia Jorge – Barmhartigheid

Ter gelegenheid van het literaire festival Correntes d’Escritas 2024, dat vandaag begint en waar ook Lídia Jorge present is, hieronder een fragment uit haar bekroonde roman Misericórdia (2022).

Sinds haar debuut in 1980 heeft Lídia Jorge (Boliqueime, 1946) een indrukwekkend oeuvre opgebouwd, dat romans, korte verhalen, gedichten, kinderboeken en een toneelstuk omvat. De hoeveelheid prijzen die ze daarmee heeft gewonnen is al even indrukwekkend. In 2023 mocht ze daar als eerste Portugeestalige auteur ooit de prestigieuze Franse Prix Médicis Étranger aan toevoegen voor haar roman Misericórdia (2022). Dit boek, dat losjes gebaseerd is op de dagboekaantekeningen van haar moeder, werd al eerder bekroond met twee belangrijke Portugese literaire prijzen en stond ook op de shortlist van de Prémio Oceanos 2023 en de Prix Femina 2023. Ze beschrijft hierin het laatste levensjaar van haar moeder, die in april 2020, tijdens de coronapandemie, overleed in een zorginstelling. 


ATLAS

Waar ik nu ben, duurt de nacht altijd langer dan de dag, zelfs in de lente, wanneer de dagen meestal even lang zijn als de nachten. En precies halverwege die lange donkere periode verschijnt de nacht aan mijn bed en stelt me vreemde vragen, net als dat rare dier uit de oudheid, die sfinx. Ik heb het over de nacht die mijn diepste overtuigingen kent, mijn beste en mijn slechtste momenten, al mijn grootste geheimen, ook de dingen die je aan niemand vertelt, vooral als het over de liefde gaat. Als ik slaap, houdt hij zich rustig, maar op een gegeven moment word ik wakker en dan is hij al in de buurt, de onruststoker, dan komt hij naar me toe en buigt hij zich over mijn bed en begint me allerlei vragen te stellen, net als een schooljuf die me wil betrappen op iets wat ik niet weet. Dat is niet makkelijk.

De eerste vraag die hij me afgelopen nacht stelde, met zijn donkerder dan donkere muil, was er een die onmogelijk te beantwoorden was: hij wilde weten hoeveel steden er in de wereld zijn. Maar ik weet wat voor vlees ik in de kuip heb en daarom komt zo’n vraag nooit als een totale verrassing. Dus ik liet me niet vangen en antwoordde dat de aarde en de wereld twee verschillende dingen zijn. Dat de wereld veel groter is dan de aarde en dat er, volgens mijn schoonzoon, tot nu toe buiten de aarde nog geen bewoonde planeten zijn ontdekt, laat staan steden. Dus hoe kon ik die vraag nou beantwoorden?

Ik tilde mijn hoofd op van het kussen, keek de nacht recht in het gezicht en zei: ‘Als je wilt dat ik een goed antwoord geef, moet je me een fatsoenlijke vraag stellen’. Toen leek de nacht zich te realiseren dat hij niet met een of andere domoor op het gebied van aardrijkskunde van doen had en gooide hij het over een andere boeg: toen wilde hij alleen nog maar horen of ik wist hoeveel hoofdsteden er zijn op aarde. Ik stelde me de wereldbol voor die ik vroeger op mijn nachtkastje had staan, maar die ik thuis – mijn echte thuis – had achtergelaten en besefte dat ik evenmin alle hoofdsteden kon opnoemen. Toch begon ik op mijn vingers te tellen en in gedachten reisde ik door Europa, van west naar oost. Ik noemde Lissabon, Dublin, Londen, Madrid, Parijs, Brussel, Amsterdam, Berlijn, Rome, Wenen, Belgrado, Boekarest, Kiev, en vervolgens ging ik richting Rusland, maar toen raakte ik de tel kwijt en verloste de nacht, die in de gaten had dat het me nooit ging lukken, me van de enorme opdracht die hij me had gegeven. Toen vroeg hij me, de goochemerd, om alleen de steden te noemen waar mijn dochter ooit was geweest. Maar ik diende hem van repliek: ‘Geen sprake van. Ik wil niet dat de naam van mijn dochter in verband wordt gebracht met deze nachtmerrie, ik wil haar blijven associëren met de mooie dingen in het leven, de dingen die buiten deze kale muren plaatsvinden. Laat me met rust…’ Maar de nacht hield voet bij stuk.

Hij wilde per se weten waar de stad Reykjavik ligt, omdat hij dacht dat ik het vreemde woord niet kon thuisbrengen en dat het me naar de keel zou grijpen en mijn adem zou doen stokken. Maar ik diende hem wederom van repliek, triomfantelijk en zonder aarzelen: ‘Reykjavik ligt in IJsland, een eiland met een hele gevaarlijke vulkaan, die soms actief wordt en dan stofwolken uitstoot die boven heel Noord-Europa blijven hangen en de zon verduisteren. Vanwege die rookwolken zat mijn dochter een paar jaar geleden dagenlang vast in een stad in Canada…’

Hier had de nacht niet van terug. Had iemand hem een beter antwoord dan dit kunnen geven? Maar de nacht wist van geen ophouden en richtte zijn blik op de andere kant van de wereld om te vragen waar Karachi ligt. Hij bleef maar proberen, in de hoop me op een fout te betrappen. Maar zonder succes want ik antwoordde meteen: ‘Ha! In Pakistan natuurlijk. Maar ik weet veel meer dan jij, stomme nacht, haha! Want Karachi is de hoofdstad niet meer van dit land, de huidige hoofdstad heet Islamabad. Dat heb ik gelezen in De Grote Wereldatlas van Uitgeverij Civilização, voordat ie uit elkaar viel. Je mag me alles vragen wat je wilt, kom maar op.’ Ik daagde de nacht uit.

Eenmaal op dit punt aangekomen begon hij, in plaats van op te geven, om me heen te cirkelen, hij fladderde met zijn donkere vleugels, donker als de donkerste nacht, en vroeg me, dubbel zo verbeten als eerst omdat ik nu de bal bij hem had gelegd, of ik wist van welk land Bakoe de hoofdstad was. ‘Hoe schrijf je dat?’ vroeg ik. ‘Met een k’ zei hij. Onmiddellijk zag ik het woord Bakoe voor mijn ogen voorbijkomen als in een film, die mooie, sierlijke naam, uitgehouwen in het zuidwestelijke deel van Azië, grenzend aan de Kaspische Zee, en ik stond op het punt om de naam van het land uit te spreken, vol zelfvertrouwen, toen het woord plotseling uit mijn gezichtsveld verdween.

Alsof er iemand een bezem door mijn geheugen had gehaald en de letters ergens ver buiten mijn bereik op een hoop had geveegd, was de film opeens gewist, geen idee hoe dat kon. Zwoesj, zwoesj. Op de plaats van de prachtige naam die ik net wilde uitspreken gaapte een grote leegte. Bakoe-met-een-k  bungelde in het donker van mijn gedachten zonder land eromheen. De nacht staarde me aan met zijn holle, ogenloze blik. Hij was me te slim af. Mijn onwetendheid werd op dat moment ondraaglijk. Hoe kon ik die vreselijke nacht, die naar me lachte vanuit het donker van de kamer, blijven trotseren? Hoe? Ik pijnigde mijn hersenen, zonder de nacht ook maar een moment uit het oog te verliezen, en probeerde hem tegen te houden, hem zo ver mogelijk van me af te houden, en op dat moment schoot me iets te binnen.

Zonder ook maar een seconde mijn blik af te wenden van het ongrijpbare wezen van de nacht, slaagde ik erin mijn hoofd een beetje op te tillen. Ik haalde mijn mobiele telefoon van onder mijn kussen vandaan, klapte hem open zodat het scherm oplichtte, drukte op een toets en luisterde. Ik realiseerde me dat de persoon die ik had gebeld wel had opgenomen maar niets zei. Ik wachtte, maar het bleef stil. Toen vroeg ik: ‘Sorry, maar ik heb even een vraag. Weet u toevallig waar de stad Bakoe ligt?’ De persoon aan de andere kant van de lijn zweeg, ik kon zijn ademhaling horen alsof hij naast me stond, maar hij zei geen woord. Ik wachtte even en vroeg toen opnieuw: ‘Toe nou, alstublieft, Bakoe met een k…’.

Toen klonk er opeens een luid bulderende stem, alsof er iemand vlak bij mijn oor op een grote trom stond te slaan: ‘Weet u wel hoe laat het is, mevrouw? Het is vier ’s ochtends! Hoe krijgt u het in uw hoofd om me op dit tijdstip te bellen en te vragen of ik weet waar Bakoe ligt?’ Ik verontschuldigde me, maar hij luisterde niet en ratelde maar door. ‘Maar deze keer komt u er niet mee weg, echt niet, ik ga het allemaal aan uw dochter vertellen. En ze zal niet blij zijn, hou daar maar al rekening mee…’

Aan zijn toon te horen was hij nog niet klaar met zijn preek. Ik had geen idee hoe ik me hieruit kon redden, dus ik drukte op de toets om het gesprek te beëindigen, zo zacht mogelijk, terwijl ik bedacht hoe fijn het zou zijn als dat hele telefoontje niet had plaatsgevonden. Dat het nooit had plaatsgevonden. En zo zat ik met de telefoon in mijn hand te wachten tot hij zou terugbellen of tot mijn dochter me na een tijdje zelf zou bellen, vanaf de andere kant van de wereld, omdat hij haar had gebeld en zij me op haar beurt wilde vragen waarom ik in hemelsnaam om vier uur ’s ochtends had gebeld.

Maar zo ging het niet. De nacht had zich teruggetrokken, zonder dat een van ons beiden als winnaar of verliezer uit de bus was gekomen, en terwijl ik met de telefoon in mijn hand zat te wachten op wat komen zou, bleef het stil. Tot er buiten een lentevogel begon te zingen. In de hoek van het raam zag ik de zon opkomen en het witte plafond boven mijn hoofd kleurde roze en kondigde een nieuwe dag aan. En terwijl het woord Bakoe niet verscheen op het blauwgroene vlak van de kaart van het land waarvan het de hoofdstad is, dacht ik aan het licht dat op dat moment naar binnen scheen in het huis dat ik had achtergelaten, met zijn tafels, stoelen, ramen, lakens en gordijnen, en het bureau waarop mijn dagboeken lagen en mijn oude atlas.

19 april 2019

De regen kwam binnen via een piepklein
gaatje, en in een mum van tijd
stond alles onder water.

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

2 Comments on Lídia Jorge – Barmhartigheid

  1. Ik vroeg me af of er boeken van haar zijn vertaald in het Nederlands of engels?
    Sometimes, on days of perfect and very sharp light,

    • Van Lídia Jorge zijn in het Nederlands verschenen: ‘De kust van het gemurmel’ (Arena, 1991), vertaald door Maartje de Kort en Elly de Vries, en ‘De dag der wonderen’ (De Prom, 1996), vertaald door Irène Koenders. Ik vrees echter dat deze boeken niet meer leverbaar zijn, maar misschien vind je ze nog ergens tweedehands.

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.