Pepetela – Requiem voor een regent

Een voormalige dictator van een niet nader genoemd Afrikaans land ligt opgebaard in een rouwkamer. Hij is dood, maar kan nog horen, voelen en denken. Daar in die kist, opgesloten in een levenloos lichaam maar nog in het bezit van zijn intellectuele vermogens, overpeinst hij zijn leven en levert hij commentaar op de mensen die afscheid van hem komen nemen. Aan de hand van zijn herinneringen wordt duidelijk welk pad hij heeft bewandeld om president te worden en jarenlang aan de macht te blijven. Hij onthult wat zich heeft afgespeeld in de krochten van de politiek, waar nepotisme regeert en machtsmisbruik de gewoonste zaak van de wereld lijkt.

Pepetela (Benguela, 1941), pseudoniem van Artur Carlos Maurício Pestana dos Santos,  schreef altijd al (maatschappij)kritische boeken, maar in de roman Sua Excelencia, de Corpo Presente – die hem de Prémio Literário Casino da Póvoa do Correntes d’Escritas 2020 opleverde – gaat hij nog een stapje verder. Hierna volgt een fragment.

 “Ik ben dood.
   Ik ben dood, ik heb mijn ogen dicht, maar ik ben me bewust van alles (of bijna alles) wat er om me heen gebeurt. Ik weet het, ik lig in een kist, in een kamer vol bloemen waarvan ik, als ik nog zou leven, zou moeten niezen. Weten mensen dan niet dat rouwboeketten stinken? Natuurlijk weten ze dat, maar de traditie is sterker en een kist zonder bloemen is voor arme drommels.
   Nou, arm zijn we niet, we heersen over een natie.
   Ik ben dood, toch kan ik horen, verstaan wat er wordt gezegd, zelfs gefluisterd, en in sommige gevallen kan ik gedachten lezen.
   Achterin de menigte staat een groep te smoezen. Door de afstand en de andere geluiden en gesprekken die de ether vullen kan ik niet verstaan waarover konkelfoezen, of ze nou een coup aan het beramen zijn of de toekomst staan te bespreken. Wolven in schaapskleren zijn het, want ze zien me hier maar al te graag liggen, in een zwart pak in een kist. Het is te vroeg om al namen te noemen, maar ik ken ze allemaal en ik sta van niemand versteld. Dat ze mijn vijanden waren heb ik altijd geweten, anders zouden mijn geheime agenten hun steeds keurig op tijd betaalde hoge salarissen en dure kerstcadeaus niet waard zijn. Ik liet ze jarenlang hun gang gaan, ze konden toch geen brokken maken. Maar nu ik het veld heb geruimd, krijgen ze misschien wat meer te vertellen, daarom zijn ze zo vrolijk. Of misschien maakt mijn opvolger wel korte metten met hen. Eén ding is zeker: op mijn begrafenis zullen ze ook in snikken uitbarsten, op hun knieën vallen, als een stel zielige weeskinderen. En ze zullen roepen dat ze me niet kunnen missen. Bij voorkeur voor het oog van journalisten en televisiekijkers.
   Zo gaan die dingen.
   Voor me staat mijn officiële weduwe. Ze is nog steeds mooi, zelfs in volle rouw. Ik noemde haar altijd mijn palanca negra, mijn zwarte gazelle. Zeg eens eerlijk, mocht je me horen, bestaat er een mooier dier? Mijn gazelle weet zich te beheersen, laat alleen gepaste tranen vloeien op gepaste momenten, zonder te schreeuwen, zich de haren uit het hoofd te rukken en te jammeren, zonder zich op de grond te werpen, zonder de hysterische toestanden die je in haar familie ziet. Toen we pas een relatie hadden, legde ik haar uit dat een first lady zich moet gedragen als een staatsvrouw. Ik gaf voorbeelden, leerde haar hoe het moest, het was in de tijd dat we nog verliefd waren en geduld hadden met elkaar. Ze paste zich aan, leerde de gewoonten en woorden af die ze van huis uit had meegekregen. En ze volgde alle staatsrituelen. Zelfs bij mijn overlijden. Verdrietig, bezorgd, ongerust over wat de toekomst zal brengen, alles staat immers op losse schroeven, zowel voor haar als voor de kinderen en voor de hele familie, die verslingerd is aan macht en aan de bijbehorende voorrechten, maar de zorgen, de angst, de woede, alles moeten we verbijten, zonder een spier te vertrekken, de wenkbrauwen te fronsen, een heimelijke blik te werpen, zwakheid te tonen. Wanneer de leeuw sterft, blijven de leeuwin en haar welpen brullen, als signaal voor de toekomst. Alleen zo dwingen ze respect af, omdat ze gevreesd worden.
   De wet van de jungle? Ook die heb ik haar geleerd.

   Ze kwam er al snel achter in wat voor slangenkuil ze terecht was gekomen en ik vóór haar. Ik moest van me leren afbijten, zij ook. Maar ik moet toegeven dat de leerlinge de meester uiteindelijk heeft overtroffen, ze zou een uitstekende opvolger zijn, mocht ze daar zin in hebben. Ze heeft zich nooit willen inlaten met machtsspelletjes, in ieder geval niet zichtbaar. Ze heeft nooit stekken uitgezet voor een eigen carrière, ze heeft andere leiders niet naar de mond gepraat of zelfs maar iets durven vragen. Ze deelde slechts uit. Niet aan hen. Alleen aan haar familie en vrienden. Het volk, dat haar aanbidt en mij vreest (of liever: vreesde), kiest de verantwoordelijken niet, de kruiwagens die een kandidaat in het zadel helpen. Slechts een handvol leiders, mensen die in de loop der jaren zorgvuldig door mij zijn uitgezocht, beslissen daarover nadat ze hebben onderhandeld over een naam of een functie met andere leiders die soms tegenspartelen en laten doorschemeren dat hun wraak zoet zal zijn. En die lieden hebben nog nooit iets van haar gehoord, ik zou net zo goed op een of andere lijst kunnen staan, als ze mij zouden vragen zou ik in staat zijn om ja te zeggen, stel je voor. Nooit viel ze voor anderen in het stof, nooit vroeg ze iemand om een gunst. Mijn dood is dus te vroeg gekomen voor haar, voordat ze een stevige positie op de ladder van de macht heeft kunnen verwerven, ze is niet verder gekomen dan de onderste trede, waar ze zich naar eigen zeggen overigens altijd volkomen op haar gemak voelde. Van die trede dreigt ze nu af te vallen. Maar kan iemand op dit moment merken dat ze onderaan de ladder staat en dat die zwakke positie haar angst inboezemt? Misschien, maar dan is dat een pure gok want ze laat nooit blijken dat ze bang is. Ook niet aan mij, die haar zo goed kent, die haar heeft gekneed en gevormd. Hoewel ze geen idee heeft dat ik nog kan horen en voelen, slaagt ze erin haar angsten voor mij te verbergen.
   Mijn first lady is werkelijk een prachtig en edel dier. Nu ze me toch niets meer kunnen maken behalve mijn lichaam ergens dumpen op een veld in plaats van bijzetten in een keizerlijk mausoleum, kan ik bekennen wat ik altijd stiekem dacht, maar nooit hardop durfde te zeggen: ze verdiende beter dan mij.”

Vertaling Marilyn Suy
Foto’s Ana Carvalho



Sua Excelência, de Corpo Presente
Pepetela
Dom Quixote, 2018
272 blz.
ISBN: 9789722065634

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.