Pão de Açúcar – Afonso Reis Cabral

In februari 2006 haalde de brandweer van Porto een levenloos lichaam uit een volgelopen put in een nooit voltooid, verlaten gebouw: het slachtoffer, een dakloze die ziek was en toevlucht had gezocht in de kelder van het gebouw, was dagenlang zwaar mishandeld door een groep tieners, waarvan sommigen pas twaalf jaar oud waren. Het slachtoffer was Gisberta Salce Junior, een Braziliaanse transseksueel die het geweld tegen transgenders in eigen land was ontvlucht en in Portugal terecht was gekomen, waar ze in bars ging werken en uiteindelijk aan lager wal raakte. Gisberta werd belaagd door een groep jongens die zelf het nodige hadden meegemaakt in het internaat waar ze verbleven (Oficina de São José). Portugal was in shock; niet alleen vanwege de brute moord, maar ook vanwege de aan het licht gekomen schandalen en wantoestanden in een katholieke jeugdinstelling. De jongens kwamen er met milde straffen vanaf, het internaat werd gesloten en daarmee was de kous af, zo leek het. Maar de “zaak Gisberta” werd het symbool van de strijd tegen homofobie en kreeg wereldwijd aandacht. Er werd een film over gemaakt, Maria Bethânia zong er een lied over, en er is menige reportage aan gewijd, evenals een boek.

Pão de Açúcar’ (Dom Quixote, 2018) is een intrigerende roman over een zaak die in Portugal veel stof deed opwaaien en beschrijft het leven van een dakloze junk en een stel tieners die haar eerst hielpen, maar zich vervolgens tegen haar keerden. Afonso Reis Cabral woonde zelf in Porto ten tijde van deze zaak en was destijds even oud als de gewelddadige jongeren. Hij herinnert zich zijn “verbazing” over de kwestie: niet zozeer de misdaad zelf, maar het feit dat een groep jongens van zijn leeftijd in staat was dit te doen, maakte een diepe indruk op hem. Tien jaar later besloot hij er een boek over te schrijven. “De kwestie liet me niet los. Iedereen wist hoe het verhaal was begonnen en hoe het was geëindigd, maar het stuk daar tussenin ontbrak. Ik wilde weten hoe het zover heeft kunnen komen, hoe je iemand die je eerst hebt geholpen vervolgens gewetenloos in elkaar kunt slaan. Daar kon ik met mijn verstand niet bij“, verklaarde hij in een interview.

Afonso Reis Cabral (Lissabon, 1990) studeerde Portugese taal en letterkunde. Op zijn vijftiende publiceerde hij de dichtbundel ‘Condensação’. In 2014 won hij de Prémio Leya voor zijn debuutroman ‘O Meu Irmão’ (Mijn broer). Eind 2018 publiceerde hij zijn tweede roman, ‘Pão de Açúcar’ (Suikerbrood), die in 2019 werd bekroond met de Prémio Saramago. 

Pão de Açúcar’ is de naam van een Portugese supermarktketen, die in het nooit voltooide gebouw aan de Avenida Fernão de Magalhães in Porto zou worden  gevestigd. Hieronder volgt een fragment uit het boek.

“Kijk, hier is het. Hier steken we over”, en ik wees naar het hoge gebouw aan de overkant van de straat. “Ik wil jullie iets laten zien, maar je mag het aan niemand vertellen en je mag er ook niet naartoe zonder mij.” Het was even stil. “Jij, Nelson, jij hebt de sleutels van de zolder. Jij, Samuel, jij hebt je tekeningen. En ik, Rafa, ik heb dát”, en ik wees opnieuw, “de Pão de Açúcar”. Daar was niets van gelogen, het was alles wat ik had.
Ze knikten instemmend, omdat ze beseften dat dit een gewichtig moment was. 
Nadat we de parkeerplaats waren overgestoken, ging ik hen voor naar de eerste verdieping. Nelson begon van de ene kant naar de andere te rennen en te springen, alsof hij was vrijgelaten uit een kooi, en piste tegen een van de muren. Ik sjokte er zwijgend achteraan en bedacht hoe ze zouden reageren wanneer we bij de kelder aankwamen. Samuel bestudeerde de rij kolommen, de verhoudingen, de graffiti, de zinnen.
Ik liet hen de Pão de Açúcar zien zoals mensen hun huis aan bezoek laten zien, kamer voor kamer. Met het beste bewaard tot het laatst.
We gingen naar de bovenste verdieping, waar ons een nieuw uitzicht wachtte, nl. de zee, die we al eerder vanuit een ander gebouw hadden gezien. De zon kwam tevoorschijn van achter de wolken, een zeldzaam iets in januari, en je kon tot voorbij de heuvels van Valongo en de hellingen van Gaia kijken.
Van daaruit konden we nog meer verlaten gebouwen zien. Het leek wel of de stad één grote ruïne was, zover als we konden kijken.
Net als de vorige keer zei Nelson “wat mooi” en slaakte een zucht. Maar Samuel deed nu niet onverschillig, hij was geïnteresseerd in het landschap en vertelde ons wat hij allemaal zag. De hele stad. Nelson, die geen verschil zag met de vorige keer, haalde zijn schouders op en zei “ja ja, het zal wel, Samuel”.
Pas toen gingen we naar beneden, naar de kelder.
Ze hielden niet op over het uitzicht vanaf de bovenste verdieping. “De trappen reikten keihoog, bijna tot aan de hemel”, zei Samuel, die de trappen hoger maakte dan ze waren, en Nelson vulde hem aan met “alsof ze dwars door de hemel gingen”. Ze waren onder de indruk van de plek, zoveel was duidelijk.
In de verte zag ik de shelter al, die nauwelijks nog overeind stond, met de bloempotten ervoor. Er hingen nog een paar stukken wc-papier te wapperen in de wind.
Ze zwegen toen we water hoorden druppelen in de put, of misschien wel omdat ze hadden begrepen dat een oord als dit ontzag verdiende.
“Maar woont daar iemand dan?” vroeg Samuel.
“Ja”, antwoordde ik.
De wind beukte tegen de platen die de shelter beschermden en blies het wc-papier weg.
Nelson deed twee stappen achteruit, alsof hij de confrontatie wilde vermijden. We keken naar de troep in de kelder, de pop zonder oog, het papier en het houten kruis zonder Jezus, dat Samuel stiekem in zijn zak stopte. Nelson veegde het afval met zijn voeten opzij terwijl hij voor zich uit murmelde, “Nelson stapt er onverschrokken op af en schopt de obstakels opzij, de menigte klapt”.
“Is daar iemand?” vroeg Samuel, waarop ik reageerde met “Gi, kom eens naar buiten, ik heb vrienden meegenomen”. Ze keken me allebei verbaasd aan. “Kom maar, ik heb vrienden bij me.”
Ze kwam de shelter uit, streek haar haren naar achteren en trok haar trui strak, om zich van haar beste kant te laten zien – zodat het nog ergens op leek -, maar toen stootte ze met haar hoofd tegen de paal en ging ze los.
“Gast, wat is dit?” vroeg ze, terwijl ze over haar voorhoofd wreef. “Je hebt me niet verteld dat je iemand mee zou brengen.”
“Klopt. Maar dit is Nelson en dat is Samuel.”
Ze stak haar hand naar hen uit en de jongens keken mij aan, omdat ze niet wisten of ze haar mochten aanraken of misschien waren ze wel bang dat haar geur aan hun huid zou blijven plakken. Ik knikte en toen begrepen ze dat ze haar een hand mochten geven.
“Rafa komt hier sinds een paar dagen op bezoek. Erg aardig”, zei Gi. “Zijn vrienden zijn mijn vrienden”.
We gingen in een kring zitten voor de shelter. Ik vertelde haar dat Nelson en Samuel ook in het internaat woonden. “Nelson vertelt verhalen en Samuel tekent”. En tegen de jongens zei ik “Gi woont hier en ik breng haar eten”.
Zonder omhaal zei ze tegen Samuel “je moet gauw eens tekening van mij maken”, een staaltje van exhibitionisme waar ik me aan stoorde, zo recht voor zijn raap. Typisch iets voor oude hoeren.
“Hij kan waanzinnig goed tekenen, je zou het moeten zien”, zei Nelson. 
“Laat maar eens zien dan”.
Vervolgens gingen ze tekentechnieken zitten bespreken, Samuel legde uit dat veel mensen houtskool zeggen terwijl ze eigenlijk potlood bedoelen, en Gi vertelde dat ze in Brazilië veel moois had gezien, landschappen, mensen, dieren, ook al kwam ze uit São Paulo, een betonnen jungle die met niets te vergelijken was.
Ik liep naar de shelter en liet hen verder praten. Niets liep zoals gepland. Geen enkele keer hadden ze me iets gevraagd, behalve of ze haar een hand mochten geven. Als het zo zat, kon ik maar beter weggaan.
In de shelter was het een ongekend zooitje, en in een hoekje zag ik gebruikte spuiten liggen met kromme naalden. De gele deken was bijna helemaal verkleurd, maar de afdruk van Gi’s lichaam was duidelijk te zien.
Toen zag ik dat Nelson me zocht, hij leek opgewonden en wilde ervandoor. Hij keek van Gi naar mij en van mij naar Gi. Nadat hij haar had aangekeken met een blik van iemand die een moeilijke som moet oplossen, sprong hij op.
Nu wel ja, nu had hij me nodig.
Hij wenkte me en op een paar meter afstand van Gi en Samuel zei hij “wat is die meid lelijk, ze lijkt wel een vent!”, waarop ik zijn arm vastgreep. Met een van pijn vertrokken gezicht hield hij onmiddellijk zijn mond.

Vertaling Marilyn Suy
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.