Carolina Vigna – De planeet gaat ten onder en ik maar

Carolina Vigna (Petrópolis, 1971) is schrijver en beeldend kunstenaar. Ze heeft vijf kinderboeken gemaakt en schrijft columns voor Revista Pessoa.

Het originele stuk, ‘O mundo acabando e eu aqui‘, is te lezen in het Braziliaanse literaire magazine van Rogério Pereira ‘O Rascunho‘.

Elke avond denk ik aan de dood. Niet zomaar een willekeurige dood in het algemeen. Ik denk aan míjn dood. Elke avond kom ik tot de conclusie dat ik nog niet mag doodgaan. Die luxe kan ik me niet veroorloven. Kind nog niet volwassen. Schulden nog niet afgelost, werk nog niet ingeleverd, termijnen nog niet voldaan. Maar vooral het kind. Mijn moeder zei eens tegen me dat het goede aan een kind was dat het je de kracht gaf om door te gaan. Dat was niet helemaal wat ze bedoelde, maar toch. Elke avond denk ik aan de dood. Ik sluit elke avond mijn ogen en hoop vurig dat ik de volgende dag weer wakker word. Daarom snap ik het niet als mensen niet wakker willen worden. Wakker worden en vroeg ook, zo gauw mogelijk, zodat je zeker weet dat je leeft. Het leven kan soms shit zijn, maar het is altijd beter dan het alternatief. Ik word wakker en sta op. Het bed is een pre-graf. Ik wil per se een hard matras, om alvast te wennen. Zodra het kan, ga ik eruit. Niet eens seks vind ik fijn in bed. Liever onder de douche. Alleen levenden douchen. Ik voel een drang tot leven. Van de weeromstuit betaal ik met liefde mijn nota’s en rekeningen, want er zijn tijden geweest dat dat niet lukte – dus een rekening betalen is een teken van overwinning. In dezelfde geest doe ik niet aan social media. Niet aan politiek. Ik val niemand lastig. Wie ik niet moet, zeg ik niet eens gedag. Het leven is kort. Niet één glimlach ga ik verspillen, zelfs geen valse, zelfs geen vage. En tot slot: ik maak enkel ruzie als dat enorme energieverbruik de moeite waard is. Als ik niet langer ruzie met iemand maak, is het van drieën één: ik ben mijn interesse kwijt, ik ben mijn respect kwijt of het gaat volgens mij niets uithalen. En toen kwam de coronapandemie met z’n horden experts op het gebied van gezondheid, economie, religie, veiligheid, verlichting, plantkunde en wat al niet, zoals tijdens het wk iedereen voetbaltrainer wordt. Ik trek dat niet, zo simpel is het. De kerk, altijd al goed in theater, stuurde die foto van de paus op het lege Sint-Pietersplein. Kijk, dát is een campagne. Opletten, reclamemakers. Ik vond het een geniale foto, maar ach ja, geeuw. Ik ben een naaister van niets, toch ben ik dol op naaien. Ik maakte een paar maskers van tweelaagse katoen voor de mensen van wie ik hou. Ze werden scheef, zoals alles in mijn leven. Het is niet eens meer een fout, het is een stijl. Wordt een fout die je vele malen herhaalt een voltreffer? Misschien. Kan mij het schelen. Op het werk die spanning van dreigend ontslag. Als een soort perpetuum mobile richting lockdown staat plots mijn behoeftige ex voor de deur. Alle mogelijke vergane liefdes verschijnen weer op mijn telefoon. Seks zou best fijn zijn in een tijd als deze, maar het is het risico niet waard. En eigenlijk denk ik dat het zelfs de inspanning niet waard is. Mannen vinden zichzelf altijd beter in bed dan ze werkelijk zijn. Langs mijn deur trok een meute breinloze volgers van een politicus. Het kan me niet eens meer schelen welke politicus of wat ze roepen. Zelfs volgers van merken zijn minder stom. Die i-dingen of x-schoenen dienen tenminste nog ergens toe. Mijn blowende buurman heeft twee identieke honden en gaat om beurten met een ervan wandelen, al voor de pandemie. Op zijn gezicht ligt de rust van een man die totaal schijt heeft aan afgunst. Dat bereik ik ook nog wel, misschien niet met zulke groothandelshoeveelheden wiet, maar wie weet met wat luchthartigheid. Weet je, de wereld is heel erg zozo. Wandelen met je hond, dat is pas tof. De planeet gaat ten onder en ik maar schrijven. Ik wou zeggen ‘een column schrijven’ maar weet ik veel wat dit mag zijn. Ik voel me net die rare Monet die bloemetjes schilderde midden in de Eerste fucking Wereldoorlog. Ik schilder geen bloemetjes want anno 2020 voelt dat belachelijk, maar het scheelt niet veel. De planeet gaat ten onder en ik maar denken aan schrijven, tekenen en neuken. Daar gaat mijn goede naam. Kan mij het schelen. Na een gruwelijke echtscheiding, die klootzak van een ex op mijn dak, baanloos in mijn eentje mijn kind zien groot te brengen, geldgebrek, moeten leven met corona en met mijn Bolsominion van een buurman (zware twijfel wat erger is), na de dood van mijn moeder en andere verliezen en verder nog een heleboel wat ik niet van plan ben te vertellen, is het enige wat ik te zeggen heb bring it on bitch. Ik ben snel even naar de winkel geweest. De koffie was op, crisis. Herbruikbare tas, masker, niks aanraken Carolina, die stress om zo snel mogelijk in en uit te gaan met een gevoel alsof je in Mad Max deel 1 zit. Ik kom terug, staat er een bedelaar voor de deur die vraagt of ik een frietje kan missen. Zo specifiek. Niet wat geld of iets belangrijks zoals een blik melk of een maaltijd of zo. Nee, een frietje. Ik ben de persoon geworden aan wie je een frietje vraagt. Ik mompelde wat en ging naar binnen maar ik ben nog steeds een beetje beduusd van die vraag. Is een frietje de nieuwe sigaret in de gevangenis? Of is friet een codewoord, hedendaagse straattaal die ik niet ken? Misschien zoiets als oregano in de zin van wiet? Straks vroeg die gast om een soort drug die lijkt op een frietje. Bestaat dat? Ik ben zo suf in die dingen. Of erger nog, ik zie eruit als iemand die midden in een lockdown op pad gaat om friet te kopen. Ik ben verbaasd en ook best beledigd. In elk geval neem ik volgende keer het zekere voor het onzekere en koop een zakje friet. Stel dat.

Vertaling Kitty Pouwels
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.