Eerste aankomst in Lissabon

Door Ger Leppers

Laten we ons, nu zelf reizen niet meer mag, laven aan woorden die beelden, geuren en geluiden oproepen. Ger Leppers dook in zijn hoofd en haalde deze herinnering op aan zijn eerste reis naar Lissabon, in het verre jaar 1983. ‘De dingen bestaan niet in de ruimte, beste lezer, de dingen bestaan in de tijd,’ laat Cyro dos Anjos zijn ambtenaar Belmiro verzuchten in de gelijknamige roman. En ze bestaan in Zuca-Magazine. Leest u maar.

Sommige dingen waren vroeger beter, ook al waren ze slechter. Inderdaad, dat komt doordat we zelf gretiger en onervarener waren. Maar de glans die over onze herinneringen ligt is ook te danken aan het verdwijnen van schilderachtigheid en variatie. 

Eind juli 1983 kwam ik voor het eerst in Lissabon aan, na een busreis van twee dagen, opgevouwen in een ongemakkelijke stoel. De bus, die steeds sterker was gaan ruiken naar rottende etensresten en zweet, arriveerde tegen drie uur ‘s middags in een walmend busstation buiten het stadscentrum, aan de Avenida do Casal Ribeiro.

De laatste dertig uur had ik gedoezeld, een eenling te midden van in Parijs ingestapte gastarbeidersfamilies. Een echt bed was al wat ik verlangde. Veertig meter van het busstation, op nummer 34, eerste verdieping,  bleek het Pensão Estrela da Estefânia gevestigd. Een kleurloze man met een schildpadbril, in bruine broek en grijs overhemd, gaf er mij de sleutel van een kamer op een hogere verdieping. Het was een ruim onderkomen, vermoedelijk vroeger een salon, met een versleten parket, een doorgezakt bed en een formica tafel en stoel als enig meubilair. Aan het plafond roerde een ventilator slapjes in de warme lucht. Een nondescripter kamer heb ik nooit gezien. Was het toilet op de gang? In mijn herinnering wel. Máár: ik was in Lissabon!

Volgens google streetview staat op de plaats van het vervallen maar statige negentiende-eeuwse pand op de hoek van de Rua dos Defensores de Chaves nu een strak, modern flatgebouw zoals je overal ter wereld ziet. Het busstation lijkt in gebruik als parkeergarage.

Die eerste avond slenterde ik naar Campo Pequeno, voor het stierengevecht, dat om tien uur begon. Het was zoel, stil weer. Vooraf dronk ik een glas bier in één van de morsige stierenvechterscafés bij de arena, onder een berookt en vervet affiche van een tourada van lang geleden. Was er van degenen die het spektakel hadden verzorgd of bijgewoond nog iemand in leven? 

Ik zocht mijn plaats op in de oude arena. Het spektakel opende met een parade die een klein halfuur in beslag nam. Tegen het slot daarvan begon ik te rillen: er was een koude wind opgestoken die van de Taag kwam. Er werden die avond acht stieren bevochten in plaats van de gebruikelijke zes, en anders dan in Spanje of Frankrijk was er ook nog een langdurige pauze. Gelukkig bleek er aan het buffet brandy verkrijgbaar. Vernikkeld van de kou in mijn dunne polo zocht ik na afloop, om kwart over twee ’s nachts, het pensão op. 

Tegenwoordig is de arena comfortabel overkapt, verwarmd en piekfijn opgeknapt, voorzien van een groot, anoniem ondergronds winkelcentrum. Mooi als een honderdjarige dame die zich de botox goed heeft laten smaken. En bijna net zo opwindend. De stierenvechterskroegen met hun ongeschoren, luidruchtige oude mannen met doorrookte stemmen, rauw van het vuurwater, hebben het loodje gelegd. Een steriele eenheidsworst van ketenwinkels voor lowcost ingevlogen toeristen heeft hun plaats ingenomen.

We moeten het onder ogen zien. En we wisten het ook eigenlijk al minstens sedert de dag waarop Xenophon de zee aanschouwde: wat met moeite verworven werd, heeft een grotere waarde.

Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.