De kunst van het stelen – Manuel da Costa (9)

De boel oplichten en belazeren lijkt in onze genen te zitten. Wat begon met linzensoep (‘Ook een bord?’ vroeg Jakob aan Ezau) kan inmiddels bogen op een eeuwenlange traditie van tillen, neppen en bedonderen, soms in de vorm van ongegeneerd jatten, soms geraffineerd verhuld door gladde praatjes en beste bedoelingen. ‘U hebt gewonnen in onze loterij, druk op de link en u bent binnen!’ gillen regelmatig e-mailtjes, in de wetenschap dat er altijd wel een nieuwsgierige vinger bereid is zijn computer over te leveren aan malversanten.

Al in de zeventiende eeuw waarschuwde de Portugese jezuïet Manuel da Costa tegen de grijpgrage klauwen van het grissende gespuis dat zoveel gedaanten aanneemt. Van laag allooi tot hoog sociaal gehalte. Van ganneferij tot geldzwendel. Van gemaskerde struikrovers tot goedgebekte bankmagnaten. In korte stukjes, zeg maar vroege columns, maakt hij de argeloze lezer attent op de diverse vormen van zwendel en knoeierij. Ze werden gebundeld in wat later een Portugese klassieker is geworden: Arte de furtar. In 2010 werd de Nederlandse vertaling, De kunst van het stelen, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Het nawoord kunt u hier lezen.

We vroegen Zuca Sardan om een aantal hoofdstukken uit het boek van een passende tekening te voorzien en Ana Carvalho koos een logo. Hieronder volgt deel 9. Deel 12345 en 6 verschenen in 2019, deel 7 en 8 in maart 2020.

9. Over hen die stelen met slordige klauwen

Tot nu toe hebben we gewezen op de kwaadwilligheid en waakzaamheid van alle klauwen, want er is geen stelen zonder kwaadwilligheid en geen kwaadwilligheid zonder behoedzaamheid. Waaruit volgt dat een slordige dief ofwel geen zuivere dief is, ofwel het gevaar loopt bij iedere stap te moeten boeten voor het kapitaal en de kosten. Toch zeg ik nogmaals dat er ook slordige klauwen bestaan en dat die erger zijn dan de kwaadwillige en veel beter letten op de schade die ze aanrichten. Degenen die schepen en armada’s uitrusten hebben de plicht om ze overvloedig van alles te voorzien, en zij, slordig wat de nodige hoeveelheden betreft, trekken overal een derde van af, als het al niet de helft is. Dat doen we voor Zijne Majesteit, zeggen ze, maar God weet voor wie ze het werkelijk doen en wij weten dat ook. Ze zijn slordig in het kiezen van de kwaliteit van de dingen, en zelfs wat betreft de plekken waar ze die moeten opbergen zijn ze nalatig. Met als gevolg dat er onderweg een tekort ontstaat aan beschuiten en water, wanneer de reis door tegenzittend weer langer duurt; dat er midden in een gevecht een tekort blijkt te zijn aan buskruit, kogels en touwen; dat dingen soms niet gevonden worden terwijl ze hard nodig zijn en dat ze soms beter hadden kunnen ontbreken omdat ze stinken en ziektes en kwalen veroorzaken. Hetzelfde gebeurt met de medicijnen, waarin door nalatigheid niet voorzien is, wat onmogelijk niet te wijten is aan grove kwaadwilligheid, want er bestaat geen ambtenaar die zo dom is dat hij niet weet dat je op zee ziek wordt en dat mensen doodgaan wanneer er geen geneesmiddel voorhanden is om de kwaal te behandelen.

Er zijn veel andere schadelijke vormen van slordigheid en vergeetachtigheid te onderscheiden wanneer het gaat om de toe-eigening van kapitaal, erfenissen en parochiegelden, die vaak geïnd worden zonder wettelijke titel, omdat de partij aan wie ze behoren afwezig is of omdat de partij die ze neemt machtiger is. Misschien knaagt hun geweten aanvankelijk nog, maar ook wat dat betreft zijn ze slordig en ten slotte vergeten ze alles en de vergetelheid gaat over van zonen op kleinzonen. Veel koninklijke bezittingen en goederen van de kroon zijn zo verdonkeremaand, in die mate zelfs dat als er een algemeen onderzoek zou worden verricht naar eigendomsakten er maar weinige zouden blijken te kloppen, tenzij ze zich verschuilen achter bezit sinds mensenheugenis, wat niet geldt tegenover koningen, want die hebben het voorrecht van minderjarigen en de kracht van volwassenen, waarvan ze soms evenwel geen gebruikmaken om geen onrust te stichten in hun rijk. Ze een voor een ontmaskeren en kaalplukken zou op zichzelf een eenvoudige zaak zijn, maar dat zou misschien wel honderd jaar duren. En ze allemaal samen aanpakken is gevaarlijk, want velen zullen om zich te verdedigen de handen ineenslaan en gezamenlijk oorlog voeren, ook al zijn ze elkaar onderling vijandig gezind.

Stel een olifant is in een gevecht verwikkeld met een neushoorn en in het heetst van de strijd worden ze besprongen door een leeuw. Onmiddellijk zetten de twee hun haat van zich af en sluiten ze zich aaneen tot één lichaam om weerstand te kunnen bieden aan de sterkere vijand, en met vereende krachten slagen ze erin hem te verslaan. Een koning van Castilië gaf ooit opdracht om van alle edelen en grandes in zijn koninkrijk alle titels, akten en officiële documenten op te vragen die ze bezaten, omdat met het verstrijken van de tijd veel zaken uit het zicht en de aandacht van de kroon verdwenen waren. De edelen gingen in beraad en spraken af dat ze zouden doen wat de Duque del Infantado antwoordde. En die hertog antwoordde dat Zijne Majesteit de titels moest laten zien op grond waarvan hij bezat wat van hem was in de koninkrijken en staten waarover hij heerste, dan zouden zij er zich toe verplichten andere titels te laten zien, die veel beter waren dan die welke ze daadwerkelijk bezaten. De koning begreep de muiterij en het decreet werd op zijn verordening ingetrokken om twee duidelijke redenen. Ten eerste omdat je van twee kwaden het minste moet kiezen, en het feit dat sommigen bezaten wat hij hen uit nalatigheid had laten nemen, ook al was het niet van hen, beschouwde hij als een minder kwaad dan de kans laten bestaan dat allen ten onder gingen, waarmee de kroon en het rijk niets wonnen. Ten tweede omdat er, als je goed kijkt naar de bezittingen van koningen, niemand zozeer als zij het gevaar loopt iets in bezit te hebben dat van een ander is, want hun macht maakt hen onschendbaar en hebzucht is blind en houdt van inpalmen − terwijl alles lijkt voort te komen uit grotere verhevenheid. Het is altijd gevaarlijk geweest om een slapende hond wakker te maken. Daarom gaat men vaak voorbij aan de dingen tot de vergetelheid ze begraaft; maar dat neemt geenszins weg dat het diefstal is wat langs deze weg wordt weggesleept. Dat zijn de klauwen die wij slordig noemen, want zelfs als iemand eraan denkt zorgen hebzucht aan de ene en angst aan de andere kant er voor dat ze snel veronachtzaamd en vergeten worden; en zo blijft alles hopeloos bij het oude.

(Hoofdstuk 28)
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010
Vertaling Harrie Lemmens
Tekening Zuca Sardan
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.