De kunst van het stelen – Manuel da Costa (8)

De boel oplichten en belazeren lijkt in onze genen te zitten. Wat begon met linzensoep (‘Ook een bord?’ vroeg Jakob aan Ezau) kan inmiddels bogen op een eeuwenlange traditie van tillen, neppen en bedonderen, soms in de vorm van ongegeneerd jatten, soms geraffineerd verhuld door gladde praatjes en beste bedoelingen. ‘U hebt gewonnen in onze loterij, druk op de link en u bent binnen!’ gillen regelmatig e-mailtjes, in de wetenschap dat er altijd wel een nieuwsgierige vinger bereid is zijn computer over te leveren aan malversanten.

Al in de zeventiende eeuw waarschuwde de Portugese jezuïet Manuel da Costa tegen de grijpgrage klauwen van het grissende gespuis dat zoveel gedaanten aanneemt. Van laag allooi tot hoog sociaal gehalte. Van ganneferij tot geldzwendel. Van gemaskerde struikrovers tot goedgebekte bankmagnaten. In korte stukjes, zeg maar vroege columns, maakt hij de argeloze lezer attent op de diverse vormen van zwendel en knoeierij. Ze werden gebundeld in wat later een Portugese klassieker is geworden: Arte de furtar. In 2010 werd de Nederlandse vertaling, De kunst van het stelen, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Het nawoord kunt u hier lezen.

We vroegen Zuca Sardan om een aantal hoofdstukken uit het boek van een passende tekening te voorzien en Ana Carvalho koos een logo. Hieronder volgt deel 8. Deel 12345 en 6 verschenen in 2019. Deel 7 verscheen op 6 maart 2020.

8. Over hen die stelen met vermomde klauwen

De paters van de Societas Iesu hebben in hun klooster te Coimbra een kat grootgebracht die zo bedreven was in het jagen dat hij zelfs de vogels onderwierp aan de jurisdictie van zijn nagels. Alsof hij over het denkvermogen beschikte, dat de filosofen niet toekennen aan dieren, die geen begrip hebben, wentelde hij zich door de modder en sprong, terwijl die nog nat was, in de graansilo, waar hij ronddraaide en zoveel graankorrels als hij kon meenam tussen zijn nagels en vastgeplakt aan de modder. Vervolgens ging hij voor dood in de zon liggen tot de mussen op de graankorrels afkwamen die hij hun zo voorschotelde. Als hij merkte dat ze rustig hun gang gingen, ontdeed hij zijn nagels van hun vermomming en vatte er een of twee. Zo bereidde hij elke dag dag een schotel voor zichzelf en met gevederd gevogelte verrijkte hij als een koning zijn leven.

Drie vermommingen zien we hier: een met modder, waardoor hij zich uitgaf voor wat hij niet was; als tweede de schijndood, waarmee hij levens wilde nemen; en als derde de lekkernij die hij de vogels aanbood om van hen zijn dagrantsoen te maken. Dat is een heel gebruikelijke list bij vissers en jagers, die hun haak of strik verdoezelen om de prooi op zijn gemak te stellen. En zo verdoezelen dieven, wanneer ze bang zijn aangelegd, ook hun klauwen om zichzelf op hun gemak te stellen. Maar niet alleen bange dieven, zelfs de meest gevreesde en onverschrokken klauwen zoeken vermommingen om ophef en schande te vermijden. En we komen tot de slotsom dat er geen dief is die zich níét vermomt om te stelen, want zelfs de brutaalste struikrovers, die overvallen plegen op de heide, verbergen hun gelaat achter maskers en hoge kragen. En de zwarte mantels die ons overvallen in dorpen en steden maken hun gezicht, als ze het al niet verbergen door een kap, onherkenbaar met duizend-en-een maskers, kleuren en kappen, die ervoor zorgen dat ze hun kwaadaardigheid verbergen en ongehinderd hun gang kunnen gaan.

Stel iemand wil een bepaalde baan of gunst; hij stapt naar de beambte die over de toekenning ervan gaat en ze sluiten een overeenkomst dat de beambte tweehonderdduizend réis verliest als de man het ambt niet krijgt en dat de sollicitant hem honderdduizend réis geeft als hij het wel krijgt. Ze zetten alles op schrift, op zo’n manier dat zelfs ik het niet kan ontcijferen en dat de duvel het deuntje ervan niet kan horen. Met die vermomming verschaffen ze krediet aan hun meesterwerk en verhullen ze de duistere wegen die ze bewandelen, en wat simonie, woekerrente of zuivere diefstal is sieren ze dermate op dat het deugdzaamheid lijkt. En omdat zij met hun tweehonderd zogenaamd meer op het spel zetten, voelen ze zich onbezwaard in hun geweten als ze de honderd van ons in hun zak steken, alsof er bij het contract sprake zou zijn van enig risico, terwijl ze toch alles zelf in de hand hebben en de kaarten schudden en a dextris et a sinistris doen wat ze willen.

‘Heer,’ zegt een ander, ‘ik zal u een quinta geven die ik bezit, een bijzonder goede, en een tiende aan God en uwe excellentie’ − want hier doen ook excellenties aan mee − ‘omdat u almachtig bent aan het hof, als u mij bevrijdt van een storm van aantijgingen die momenteel op mij neer regenen, waarbij ik onteigend of onthoofd dreig te worden.’ ‘Gaarne,’ antwoordt de ambtenaar, ‘maar weest u dan wel zo goed om een verkoopakte op te stellen, waarin u bekent dat ik genoemde quinta met contant geld van u gekocht heb.’ Zodra dat gebeurd is neemt hij met de akte in de hand het landgoed in bezit en zet hij alle zeilen bij om de schenker te bevrijden; en hij rust niet voor hij hem een gat in de lucht kan laten springen, vrij van schulden en schoon als zilver. Maar omdat niets wat verborgen is vroeg of laat niet toch aan het licht komt en de fluisteraars alles onthullen ontdekte men wat er was gebeurd en hoe. Degene die de sluier had opgelicht, kreeg echter de wind van voren. Ze sloegen hem onmiddellijk met de verkoopakte om de oren. De belastingcontroleurs en ijveraars werden als leugenaars afgeschilderd en zij lachten in hun vuistje, tenminste als degene die zijn quinta kwijt was niet huilde toen hij zag hoeveel de dekmantel van de akte waarmee zijn kruiwagen hem had opgelicht hem kostte.

Anderen spiegelen met een kleine gift of een mand vijgen betrouwbaarheid voor, opdat u hun honderd dobrões leent, die ze u terugbetalen met duizend vijgen. Van vlijt en dienstbaarheid aan de koning worden handschoenen gemaakt die klauwen bedekken welke uiterst vette emolumenten grijpen uit de bezittingen van de kroon. Ik lach me dood als ik hen vol vuur en vlijt bezig zie met het beheer van het koninklijke kapitaal. Ze slapen niet en eten niet, worden eerder verteerd door de zorg en toewijding die ze bij alles aan de dag leggen, hoeveel werk het ook kost. Maar ik zeg zo bij mezelf: ‘Ja ja, zo wek je de schijn dat je meer liefde voelt voor het profijt van Zijne Majesteit dan voor jezelf; dat je liefde voelt voor het kapitaal van Zijne Majesteit geloof ik graag, maar ook dat je een goede greep voor jezelf voorbereidt, versluierd door die verdiensten.’

Degene die het wisselen van geld geïntroduceerd heeft, heeft een vermomming bedacht voor woekerrentes wanneer de termijn overschreden wordt, en de praktijk van het vrijkopen van schandes met steekpenningen, in de hoop op een geestelijk ambt, is een dekmantel waarmee simonie wordt verdoezeld. Ze geven andere namen aan de dingen om spijt te verbergen. Ze weerleggen de ene machinatie met de andere en bouwen luchtkastelen om in alle eer en geweten winst te maken en de spot te drijven met het gebod: Sed Dominus non irridetur.

(Hoofdstuk 25)
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010
Vertaling Harrie Lemmens
Tekening Zuca Sardan
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.