De kunst van het stelen – Manuel da Costa (7)

De boel oplichten en belazeren lijkt in onze genen te zitten. Wat begon met linzensoep (‘Ook een bord?’ vroeg Jakob aan Ezau) kan inmiddels bogen op een eeuwenlange traditie van tillen, neppen en bedonderen, soms in de vorm van ongegeneerd jatten, soms geraffineerd verhuld door gladde praatjes en beste bedoelingen. ‘U hebt gewonnen in onze loterij, druk op de link en u bent binnen!’ gillen regelmatig e-mailtjes, in de wetenschap dat er altijd wel een nieuwsgierige vinger bereid is zijn computer over te leveren aan malversanten.

Al in de zeventiende eeuw waarschuwde de Portugese jezuïet Manuel da Costa tegen de grijpgrage klauwen van het grissende gespuis dat zoveel gedaanten aanneemt. Van laag allooi tot hoog sociaal gehalte. Van ganneferij tot geldzwendel. Van gemaskerde struikrovers tot goedgebekte bankmagnaten. In korte stukjes, zeg maar vroege columns, maakt hij de argeloze lezer attent op de diverse vormen van zwendel en knoeierij. Ze werden gebundeld in wat later een Portugese klassieker is geworden: Arte de furtar. In 2010 werd de Nederlandse vertaling, De kunst van het stelen, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Het nawoord kunt u hier lezen.

We vroegen Zuca Sardan om een aantal hoofdstukken uit het boek van een passende tekening te voorzien en Ana Carvalho koos een logo. Hieronder volgt deel 7. Deel 12345 en 6 verschenen in 2019.

7. Waarin wordt getoond dat een koning klauwen kan hebben

Laat koningen niet menen dat ze, omdat ze koning zijn, vrijelijk over alles kunnen beschikken, zoals de grootmogol of de grote Turk, die zichzelf uitroepen tot erfgenaam van hun vazallen, met een zodanige zeggensmacht over hun roerende en onroerende bezittingen dat ze die kunnen geven aan wie ze maar willen, waarbij ze de kinderen vaak met lege handen laten staan. Je hoeft alleen maar ogen te hebben om te zien dat dat barbaars is, ook al doen ze het, beweren ze, om hun vazallen sterker aan zich te binden. Er zullen er echter ook zijn die morren en daarom weten we dat er dag in, dag uit opstanden voorkomen waardoor ze koninkrijken verliezen, ja zelfs hun imperium, want dat behoort nu eenmaal toe aan wie het sterkst is. Een koning die heerst met waarachtige wetten, die evenwel niet méér zijn dan de wetten der natuur, moet ervan uitgaan dat zelfs wat hij bezit niet van hem is, dat het hem werd toevertrouwd om zijn vazallen in stand te houden en dat, als hij overbodige uitgaven uit de staatskas doet, hij een misdrijf kan begaan dat men de naam diefstal geeft.

Er zijn drie manieren waarop een koning dief kan zijn: ten eerste door te stelen van zichzelf, ten tweede van zijn vazallen en ten derde van vreemden. Van zichzelf steelt hij wanneer hij geld van de kroon en van de opbrengsten van zijn rijk uitgeeft aan nutteloze zaken, van zijn vazallen wanneer hij hun te veel en overbodige schattingen oplegt, en van vreemden wanneer hij hun zonder reden de oorlog verklaart. Maar in plaats van voordeel te halen uit al dat soort manoeuvres lijdt hij er zelf verlies door en leidt hij zijn rijk naar de totale ondergang. Een voorbeeld van alle drie zien we bij de koning van Castilië, die vijftien of twintig miljoen, als het niet meer is, heeft uitgegeven aan zijn volstrekt overbodige retraite, een bedrag dat hij, nu geldnood hem nijpt, goed zou kunnen gebruiken. Omdat hij de volkeren geplaagd heeft met zulke hoge belastingen dat hij zijn vazallen een vijfde van hun bezittingen heeft afgepakt, kwamen Portugal, Catalonië, Napels, Sicilië enzovoort in opstand, en omdat hij oorlog voert met Frankrijk en andere koninkrijken en staten die niet van hem zijn, louter om zijn grillen te bevredigen, staat hij op het punt om zijn monarchie de laatste adem te laten uitblazen.

Zolang de Romeinen een openbare schatkist hadden waarin ze de opbrengsten van hun imperium bewaarden, bleven zij onoverwinnelijk; zodra ze die uitgaven aan ambities en overtolligheden verloren ze zichzelf en al wat ze bezaten. Omdat ze, om zich overeind te houden, de volkeren die ze overheersten ernstig in het nauw brachten door hun het wezenlijke te ontnemen, kwamen die allemaal in opstand. En omdat ze in hun wreedheid oorlog voerden zonder reden, dreven ze de naties tot wanhoop, die als één blok verzet pleegden tot het hele imperium ontregeld was, waardoor zich haast letterlijk het spreekwoord voltrok: male parta, male dilabuntur (Wat onrechtmatig is verworven, gedijt niet − Cicero). Het water heeft gegeven, het water spoelt het weg.

Staten houden zich overeind met geld, vazallen en wetten. Als de gelden verspild, de vazallen getergd en de wetten geschonden worden, komt alles aan een zijden draadje te hangen. Weer driftig aan het spinnen slaan is het enige wat er dan op zit voor degene die zoveel garen had gesponnen bij zijn voorspoed dat hij barstend van overvloed niet voorzag dat na de vette koeien Farao de magere koeien zag, als onherroepelijk gevolg van het slecht beheren van verworven welvaart, als betoverde schatten die in het beste geval verdwijnen met achterlating van roet in de handen van de hebzuchtige, die, niet tevreden met het feit dat hij volgevreten is, nauwelijks nog kan ademen en zozeer opzwelt dat hij barst als de kikker van Aesopus.

Een koning doet er goed aan altijd een dieplood bij de hand te houden, om de stand van het lot en de staat te peilen, want die zijn nogal wisselvallig. Hij moet een goede inschatting maken van wat hij bezit en wat hij uitgeeft, van de vazallen over wie hij heerst en van de kracht en waarde van de vrienden en vijanden die hem omringen. Laat hij vooral bedenken dat een koning zonder geld arm is, dat hij zonder vazallen alleen staat en dat hij met vijanden belaagd wordt. En een arme, belaagde koning die alleen staat, wordt gemakkelijk verslagen en balanceert op de rand van de afgrond. Maar als hij geld heeft en dat goed beheert, zal hij rijk zijn; als hij trouwe vazallen heeft en hen niet voor het hoofd stoot, zal hij hen kunnen vinden als dat nodig is. En als hij rijk is en trouwe vazallen heeft, hoeft hij geen vijanden te duchten. En als hij beveiligd is tegen vijanden zal hij welvarend zijn en machtig heersen. En een welvarende koning met trouwe vazallen en veel macht in zijn rijk mist niet veel om gelukzalig te zijn. Welnu, al die rijkdom verwerft hij als hij geen dief is, en hij zal ook geen dief worden als hij niet in gebreke blijft ten opzichte van zichzelf, zijn vazallen of vreemden, zoals we hebben gezegd.

(Hoofdstuk 15)
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010
Vertaling Harrie Lemmens
Tekening Zuca Sardan
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.