De kunst van het stelen – Manuel da Costa (6)

De boel oplichten en belazeren lijkt in onze genen te zitten. Wat begon met linzensoep (‘Ook een bord?’ vroeg Jakob aan Ezau) kan inmiddels bogen op een eeuwenlange traditie van tillen, neppen en bedonderen, soms in de vorm van ongegeneerd jatten, soms geraffineerd verhuld door gladde praatjes en beste bedoelingen. ‘U hebt gewonnen in onze loterij, druk op de link en u bent binnen!’ gillen regelmatig e-mailtjes, in de wetenschap dat er altijd wel een nieuwsgierige vinger bereid is zijn computer over te leveren aan malversanten.

Al in de zeventiende eeuw waarschuwde de Portugese jezuïet Manuel da Costa tegen de grijpgrage klauwen van het grissende gespuis dat zoveel gedaanten aanneemt. Van laag allooi tot hoog sociaal gehalte. Van ganneferij tot geldzwendel. Van gemaskerde struikrovers tot goedgebekte bankmagnaten. In korte stukjes, zeg maar vroege columns, maakt hij de argeloze lezer attent op de diverse vormen van zwendel en knoeierij. Ze werden gebundeld in wat later een Portugese klassieker is geworden: Arte de furtar. In 2010 werd de Nederlandse vertaling, De kunst van het stelen, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Het nawoord kunt u hier lezen.

We vroegen Zuca Sardan om een aantal hoofdstukken uit het boek van een passende tekening te voorzien en Ana Carvalho koos een logo. Hieronder volgt deel 4. Deel 1, deel 2 en deel 3 verschenen eerder dit jaar.

6. Over hen die stelen met bevreesde klauwen

De hier volgende klauwen acht ik wreder en schadelijker dan de vorige, want de bevreesde en lafhartige richten, om zich in te dekken, meer schade aan dan de gevreesde en stoutmoedige, die hun vrijgeleide in hun arm hebben zitten. Een leeuw neemt genoegen met een prooi die volstaat voor die dag, ook al ligt er heel wat meer voor hem waar hij zijn klauwen in kan slaan. Een vos die binnendringt in een kippenhok keelt en verscheurt alles, zelfs wat te veel is. De enige reden voor die ongelijkheid is dat de vos laf en de leeuw sterk en genereus is. Zo richten de bevreesde klauwen met hun angst meer schade aan dan de gevreesde met hun macht. Daar komen op onze wegen de doden vandaan en de gezichten die gevild worden door struikrovers. Ze zijn bang dat ze ontdekt en achtervolgd worden, en om zeker van hun zaak te zijn laten ze niets of niemand in leven. Dezelfde kunst die hun leert te stelen voor hun levensonderhoud heeft hun deze regel gegeven, dat ze om hun vege lijf te redden met dezelfde klauwen alles uit de weg moeten ruimen.

Daar blijft de schade die ze aanrichten niet bij, want bij dezelfde roverijen begaan ze gruwelijke wreedheden, zoals de bandieten uit Arroiolos die een gouden klok hadden gestolen welke onderweg was van Lissabon naar een koning in Castilië. Toen ze merkten hoeveel die klok waard was, hakten ze hem in stukken en smeten hem van een brug in een rivier, om niet herkend te worden. En degenen die het zilver uit de kerk van São Mamede in Évora stalen begroeven dat om dezelfde reden helemaal stukgeslagen op de weg naar Vila Viçosa, naast een put tussen de wijnstokken, zonder er ook maar enig profijt van te hebben gehad.

Als een dief van die bevreesde soort de inhoud van twee kisten suiker steelt bij de douane, bederft hij een dozijn andere kisten met water, dat hij eroverheen giet om de schijn te wekken dat dat, door de vochtigheid van de zee en de opslagloods, ook gebeurd is met de twee waarvan hij de inhoud naar zijn eigen huis heeft gebracht. Een matroos haalt twee almude wijn uit een vat en om dat tekort te verdoezelen lengt hij de rest aan met evenveel zout water. Dat doet hij nog eens bij twintig of dertig andere vaten, want zo kan hij de hele reis brassen met zijn maten, en hij acht niet op de schade van meer dan vierduizend cruzado’s die hij heeft veroorzaakt omwille van een paar slokken, want aan het eind van de reis is alles bedorven. Uit dezelfde lafheid komt voort dat een dief niet let op de krassen die hij maakt in een parelmoeren schrijftafel die veel meer waard is dan wat erin ligt, als hij niet alles onder zijn arm kan meenemen; zo ook schrikt hij er niet voor terug een huis in brand te steken om te laten denken dat het dure sieraad waarmee hij huiswaarts toog, in vlammen is opgegaan. Enzovoort.

De beste remedie voor dit soort dieven is de galg, want omdat ze bevreesd zijn kan alleen hun angst daaraan te eindigen iets uitrichten. Als men niemand pardon geeft zullen allen zich netjes gedragen, zoals een dichter zei: Oderunt peccare mali formidine poenae. En een koningin van Portugal placht te zeggen dat een dief aan de galg even goed stond als een priester aan het altaar. Ofschoon ikzelf niet van mening ben dat sterke, gezonde mannen opgehangen moeten worden als er andere, even strenge straffen bestaan, zoals verbanning naar de wingewesten, waar ze van nut kunnen zijn. Op de geëigende plaats zullen we deze kwestie beter bespreken, wanneer we het hebben over de scharen waarmee alle nagels en klauwen geknipt moeten worden. Thans zeg ik alleen dat, als er toch dieven opgehangen moeten worden, dat het beste de bevreesde en lafhartige kunnen zijn, nutteloze lieden die zullen volstaan als getuigenis en als teugel die de anderen in het gareel houdt.

(Hoofdstuk 24)
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010
Vertaling Harrie Lemmens
Tekening Zuca Sardan
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.