Er is altijd tijd voor niets anders – Filipe Homem Fonseca

Filipe Homem Fonseca (1974) is wat ze in Portugal um homem de sete ofícios noemen, iemand die van alle markten thuis is. Wij tellen meer dan zeven ambachten want behalve scenario- en toneelschrijver, auteur van romans, verhalen en poëzie, regisseur, maker van radio- en televisieprogramma’s, film- en documentairemaker, is hij ook acteur, komiek en muzikant. Wie in de jaren ’90 wel eens naar de Portugese televisie keek, kent hem misschien van (de vele herhalingen van) het succesvolle satirische programma Herman Enciclopédia, waar hij aan meewerkte. Begin dit jaar kwam zijn derde roman uit, A Imortal da Graça, over de gentrificatie van Lissabon.

In 2015 verscheen zijn tweede roman: Sempre há tempo para mais nada (‘Er is altijd tijd voor niets anders’), een boek over verlies. Wie een grappig en luchtig boek van hem had verwacht, kwam bedrogen uit. De humor is ver te zoeken in dit boek over het verlies van een geliefde, of het moest zwarte humor zijn. Wat wel aanwezig is – tussen de ogenschijnlijk oppervlakkige beschrijvingen van alledaagse dingen door – is een haarscherpe analyse van wat verlies met een mens doet, maar zonder dat het larmoyant wordt.

Hieronder een fragment afkomstig uit het eerste hoofdstuk.

De dood is een detail, er zijn ergere dingen. Honger, werkloosheid, belastingen. Vochtplekken op het plafond van de badkamer, schuld, kou. Jouw kleren in kartonnen dozen, ik doe ze open en je geur is al verdwenen. Make-up in de vuilnisbak, boeken achtergelaten op banken in het park. De dokters bij wie ik nooit ben geweest zouden zeggen dat het een belangrijke stap is, ik weet alleen niet waarheen.

Het gaat vast zo regenen, winterse buien in de lente, voor straf? Ik doe helemaal niets verkeerds. Iedereen is hongerig op zoek naar iets zonder te weten naar wat en niemand heeft zoveel honger als ik. Jij zou dat schandalig vinden, je zou het over lege magen hebben, over spoedafdelingen in ziekenhuizen vol ondervoede kinderen, zwangere vrouwen met honger, mensen die doodgaan in de wachtkamer.

– Zo is de situatie in Lissabon tegenwoordig, een trieste boel.

De palmen en populieren in het park Quinta dos Lilazes staan te verpieteren, overal verrijzen van die kledingcontainers, we hebben allemaal wel een dode in onze omgeving, kleren die geen dienst meer doen. Ook warmte en waardigheid moeten worden gerecycled.

Elk stuk dat ik erin gooi klinkt als brekend glas.

– Is dat van iemand die is overleden?

Ik draai me niet om naar de persoon die dat zegt.

– Ja.

– Dat dacht ik al.

Ze heeft vast gezien dat ik twee ringen draag, dan is het rekensommetje gauw gemaakt. Ze zegt van niet, ze had het gezien aan mijn manier van doen,

– Aan de wijze waarop u de kleding in de container gooit. Alsof u bloemen op een kist legt.

Dit was je lievelingstrui. Daar stond je, met je armen wijd, strand en zon en zand aan het eind van de dag, het was gaan waaien en we wilden naar huis, met mijn blote bast tegen je aan voelde ik het zout op je huid door het breisel heen, moleculen die elkaar aanstaarden vanachter de tralies.

– Hoe lang is het geleden?

– Gisteren. Negen maanden geleden. Vandaag.

Was er maar een universele regel, een soort richtsnoer, een vaste periode om te rouwen, aangeduid op de kalender. Een keiharde afspraak die niet moreel in twijfel wordt getrokken tijdens de gesprekken op straat. Een minimumperiode, hoe lang zou dat zijn? hoeveel maanden? hoeveel jaar? Het verdriet dat we hebben onderscheidt zich niet van het verdriet dat we geacht worden te hebben, vrolijk weduwnaarschap wordt blijkbaar niet gewaardeerd en er valt ook niet veel te lachen wanneer je meer dan de helft van jezelf kwijtraakt.

Het einde van de rouw zou een moment in de tijd moeten zijn dat biologisch gezien samenvalt met het verstrijken van de seizoenen.

Hoe raar het ook klinkt, op een dag werd ik wakker en waren alle foto’s weg, ik weet niet of dat de gebruikelijke manier is, maar in mijn geval is het alles of niets. Om je

(voor altijd)

los te laten moest ik alles weggooien, van jou blijven alleen de beelden in mijn hoofd over, bagage die je achterliet, 

– Je sterft met lege handen, je kunt niks meenemen.

dat de achterblijvers het er maar mee uitzoeken.

– Was het onverwachts?

Verlies is een dankbaar gespreksonderwerp, net als het weer, het beleid van de regering en de bonussen van bankiers.

– Het begon langzaam. Maar toen ging het opeens heel snel.

Toen je er niet meer was, ben ik hiernaartoe verhuisd, naar dit tranendal vol onverwerkt verdriet. Het enige wat je hier wilt horen, in elk praatje op straat, is dat het leed van een ander zo groot is dat het jouwe erbij in het niet valt. Dat is wat anders dan iemand iets slechts toewensen. Het vergt dagelijkse oefening, voortdurende, volhardende oefening. Geloof in dat het altijd nog erger kan.

De ellende van anderen kan ik best aan,

(ik hoef me voor niemand meer groot te houden)

het voelt ook best goed om anderen te helpen. Geholpen worden door mensen die van je houden is bijna onmogelijk. Ze zeggen de juiste dingen tegen je op het juiste moment en je denkt dat ze dat alleen maar zeggen omdat ze weten wat je wilt horen. Vertrouwen verdwijnt als er genegenheid bij komt kijken, je weet nooit of anderen eerlijk zijn of alleen maar willen pleasen. Ik vind het erg jammer dat dat zo is. Maar het is zo.

Ik heb iedereen gewist, mijn mobiel nooit meer aangezet, mijn lijst met contacten, nummers van verre vrienden en vage kennissen weggegooid. Zo blijft alles op afstand en afwezig en doe ik alles instinctief.

Hier rust jouw garderobe, niet één jasje blijft achter om over je schouders te hangen,

– Een mens moet zich schikken in zijn lot, maar ik weet niet of ik dat wel kan.

zei je ooit.

– Mag ik die bloes hebben?

Oranje strepen, precies de kleur van je nagellak, op een felblauwe, helblauwe, zeeblauwe ondergrond,
(dezelfde kleur als je ogen)

je had hem aan toen ik je ten huwelijk vroeg.

– Ja.

(in gezondheid en in ziekte en in ziekte en in ziekte, tot de dood ons scheidt)

Ik geef de bloes aan de vrouw die haar hand uitsteekt, een bedankje kan er niet vanaf, we moeten wat overhebben voor een ander en ik wil me niet neerleggen bij het feit dat ik je nooit meer zal zien, alle hoop is vervlogen.

Het was kort, tweeduizend vijfhonderd eenenzestig dagen op zoek naar een plek waar ons geluk niet op zou vallen, niet alleen ellende houdt van gezelschap. Je wilde je onder lotgenoten begeven, afgunst vermijden.

In de VN-lijst van gelukkigste landen ter wereld staat Denemarken op nummer één. Volgens de Legatum Prosperity Index is het Noorwegen, daar zijn we nooit geweest. De HPI, de Happy People Index, heeft het over Costa Rica, als je het zo zegt lijkt het wel een beschuldiging, jullie zijn gelukkig, zo gelukkig als jullie zijn 

(was het voor straf?)

is niet normaal.

Geluk wordt een goed, nieuwe wetenschappelijke overtuigingen die dagelijks moeten worden gecheckt, er worden lijsten gemaakt van landen waar dit goed het meest overvloedig aanwezig is, het is een product dat wordt genoemd op sociale media, in statistieken, in nauwkeurige metingen van het onmeetbare, hoeveel weegt een schaterlach? hoe lang zit je op een roze wolk na de geboorte van een kind?

(wij waren er niet op tijd bij)

hoe lang is lang in het geval van ze leefden nog lang en gelukkig? Het blijkt dat de wereld steeds vrolijker wordt, maar jij zou dat niet geloven, zeggen dat het je reinste flauwekul is,

– Ze proberen onze verwachtingen te temperen.

Het begint te regenen. Ik wil dat het zomer wordt, zodat ik erover kan klagen.

– Dit is van u. Het zat in het borstzakje van de bloes.

Een envelop. Je hebt een brief voor me achtergelaten.

De vrouw gaat ervandoor, ik heb niet eens haar gezicht gezien, haar stem leek op de jouwe.

Ik roep haar na.

– Bedankt.

– U hoeft me nergens voor te bedanken.

– Omdat u teruggekomen bent.

– We moeten wat overhebben voor een ander.

Ik ga naar huis met lege dozen en de kans op een teken van leven van jou, de kat van Schrödinger in een envelop die ik niet opendoe. Je hebt nieuws voor me, levend en dood tegelijk in woorden.

 

Há sempre tempo para mais nada
(niet vertaald in het Nederlands)
Filipe Homem Fonseca
Quetzal, 2015
296 blz.
ISBN 9789897222436

 

Vertaling Marilyn Suy
Foto (inleiding) Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.