De kunst van het stelen – Manuel Da Costa (3)

De boel oplichten en belazeren lijkt in onze genen te zitten. Wat begon met linzensoep (‘Ook een bord?’ vroeg Jakob aan Ezau) kan inmiddels bogen op een eeuwenlange traditie van tillen, neppen en bedonderen, soms in de vorm van ongegeneerd jatten, soms geraffineerd verhuld door gladde praatjes en beste bedoelingen. ‘U hebt gewonnen in onze loterij, druk op de link en u bent binnen!’ gillen regelmatig e-mailtjes, in de wetenschap dat er altijd wel een nieuwsgierige vinger bereid is zijn computer over te leveren aan malversanten.

Al in de zeventiende eeuw waarschuwde de Portugese jezuïet Manuel da Costa tegen de grijpgrage klauwen van het grissende gespuis dat zoveel gedaanten aanneemt. Van laag allooi tot hoog sociaal gehalte. Van ganneferij tot geldzwendel. Van gemaskerde struikrovers tot goedgebekte bankmagnaten. In korte stukjes, zeg maar vroege columns, maakt hij de argeloze lezer attent op de diverse vormen van zwendel en knoeierij. Ze werden gebundeld in wat later een Portugese klassieker is geworden: Arte de furtar. In 2010 werd de Nederlandse vertaling, De kunst van het stelen, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. Het nawoord kunt u hier lezen.

We vroegen Zuca Sardan om een aantal hoofdstukken uit het boek van een passende tekening te voorzien en Ana Carvalho koos een logo voor deze nieuwe reeks in Zuca-Magazine. Vandaag het derde deel. Deel een leest u hier en deel twee hier.

3. Hoe er van ondergeschikten wordt gestolen door hun gunsten te verlenen en mededogen te verkopen

Een kiekendief bood een zieke kip aan haar te verplegen en bij elke visite vrat hij stiekem een van haar kuikens op, tot de kip aan het slinken van haar huis en gezin merkte dat de dienst die haar geneesheer haar bewees meer weg had van diefstal dan van barmhartigheid. Welnu, ambtenaren, door wie staten bestuurd worden, zijn als dokters die bijstand verlenen bij de activiteiten van die staten, die hun ziektes zijn. Die ziektes erger maken onder het mom van genezing en barmhartigheid is oplichterij en schaamteloze diefstal en het gebeurt op duizend-en-een manieren. Ik zal er een paar aanstippen, want ze allemaal noemen is onmogelijk.

Stel Zijne Majesteit gelast voetsoldaten te ronselen in de diverse gewesten van het land, om de landsgrenzen en Brazilië of India van troepen te voorzien. De commandanten vertrekken met hun zakken vol geld, dat Zijne Majesteit hun heeft gegeven voor het uitbetalen van de soldij; ze nemen hun ambtenaren mee overeenkomstig alle wettelijke vereisten, opdat alles netjes en eerlijk verloopt. Wanneer ze ergens aankomen, winnen ze inlichtingen in omtrent degenen die het meest geschikt en bedreven zijn om de wapenrok te dragen. Degenen die vijanden hebben worden onmiddellijk verklikt, en het regent uitvluchten bij degenen die verwant zijn. De commandant overhandigt celen aan de deurwaarders om ze allemaal aan hem voor te leiden of, als ze hen niet kunnen opsporen, hun vader of moeder in hun plaats te brengen. En de blagen die meer houden van het nest waarin ze zijn grootgebracht (hen naar het oorlogsveld voeren is zoiets als al hun tanden uittrekken) zoeken dekking en laten hun ouders in de rats zitten, die om zichzelf en hun kinderen uit de nesten te helpen duizend lijntjes uitgooien. En als ze merken dat voorspraak niet helpt, gooien ze het over de boeg van het geld. Iedereen biedt de twintig of dertig cruzado’s aan die hij niet bezit, en om die bijeen te krijgen verkoopt hij zelfs de mantel om zijn schouders. Door wat hij de ambtenaren tersluiks toestopt ontspringt zijn zoon de dans en wordt hij afgekeurd omdat hij kreupel is, terwijl hij in werkelijkheid rent als een hert. En niet weinig zijn het er die in elk dorp en in elke stad op die manier toehappen, waardoor het kapitaal de hoogte in schiet van de kiekendieven, die in plaats van lieden voor de oorlog te werven een ware schat verzamelen voor vredestijd en het juk. Veel ouders hebben hun zonen in een paar jaar tijd zo zes of zeven keer vrijgekocht, waardoor ze hun meer hebben gekost dan als ze hen hadden moeten vrijkopen van Turkije.

 Hetzelfde is gebeurd bij de werving van soldaten voor de kustbewaking en de vloten naar India en Brazilië. Is er een tekort aan barbiers, een tekort aan matrozen? Geen probleem! Stuur de sergeanten naar de kade, laat ze de stad uitkammen en elk levend wezen oppakken dat van nut kan zijn voor zulke functies, dan zullen wij hier wel de keuze maken. En alsof het decreet een sleepnet was om geld te vergaren grijpen de sergeanten iedereen van wie ze vier stuivers kunnen plukken als ze hen weer laten gaan. ‘Hé janmaat, hier komen, en jij daar ook, aderlater!’ ‘Help!’ schreeuwt deze, ‘ik ben nog niet gekeurd!’ ‘Ik ben geen matroos op de grote vaart!’ huilt gene. ‘Strijk over uw hart, hier zijn twee pataca’s om een roemer te drinken.’ ‘Niks pataca’s,’ dreigen de ronselaars, ‘die zijn allemaal vals. Alles waar jullie mee aankomen is vals, we kennen jullie wel.’ ‘Daarom juist moet u medelijden met ons hebben,’ sputteren de geronselden tegen, ‘omdat u ons kent en u er baat bij hebt even een stap opzij te doen en in het geheim een woordje met ons te wisselen dat van belang is voor het dienen van Zijne Majesteit.’ En zodra ze hun handen hebben gezalfd met klinkende munt laten de sergeanten hen glippen met de waarschuwing dat ze zich, omdat niemand weet mag hebben van die gunst, een week lang niet in het openbaar moeten vertonen, tot zijzelf het anker hebben gelicht. De omstanders, die toegesneld zijn om te zien wie er aan de haak wordt geslagen, stellen ze tevreden met de woorden: ‘Laat deze heren door, want het zijn verwanten.’ Zo, door links en rechts gunsten te verlenen en meelij te verkopen, stelen deze en andere sergeanten al sprokkelend. Het resultaat van dit alles is dat de lichting bestaat uit vier nutteloze armoedzaaiers, die geen geld hadden om losgeld te betalen en op hun post zo treurig tekortschieten. Dat moet hun niet worden aangerekend, want zij zijn arme drommels, maar degene die de lichtingen samenstelt en onze staat het vel over de oren trekt om zijn eigen vel vet te maken en zijn beurs te spekken.

Er bestaat een nog verbazingwekkender manier om via gunsten te stelen, die heel wat meer kost en hoge heren raakt, zowel wat winst als wat verlies betreft. Wanneer een schip in gereedheid wordt gebracht om uit te varen naar India kan men vaak geen stuurlui en geen schutters vinden, want dat zijn ambachten die niet meer uitgeoefend en onderwezen worden. De stalknechten van hoge heren vragen hun meester of ze als beloning voor hun werk mogen aanmonsteren, omdat ze weten dat ze op de grote vaart veel meer kunnen verdienen dan met het roskammen van muilezels en Friese trekpaarden. Aan een van hen vroeg zijn meester verbaasd: ‘Hoe kun jij nou stuurman van een schip zijn? Je hebt er nog nooit een vanbinnen gezien en weet niet eens wat een hoogtemeter of een hoekmeter is.’ Daarop antwoordde de stalknecht: ‘Dat maakt toch niet uit, heer, want de schepen op India hebben helemaal geen stuurlui nodig. Ik heb altijd horen zeggen dat God die wegvoert en ook weer terugbrengt.’ Daarop vertrouwend, of op Zijn bedoelingen, waarvan zij net als wij wel zullen weten wat die zijn, nemen ze genoemde taken waar op de schepen, zodat op volle zee niemand weet wat stuurboord of bakboord is. En dus stranden ze op verre kusten en geven ze zich zonder slag of stoor over als er moet worden gevochten.

Daardoor zien we zulke grote en ontoelaatbare verliezen dat we ze, omdat het er zoveel zijn, wijten aan onze zonden, die we níét zien. En dat alles alleen maar omdat er zoveel valse getuigenissen worden afgelegd, zoals ergens, waar weet ik niet meer, een duivelse novice, die zich voor meesterkok uitgaf, als excuus voor het bakken van eieren op een blad papier boven een olielamp aanvoerde dat de duivel hem had verleid, waarop Satan vinnig zijn onschuld beleed en hem tegensprak: hij had nooit geweten dat je op die manier kon bakken. Ik ontken niet dat zonden veel oorlogen kunnen veroorzaken, en dat ook doen, maar ik zie dat onwetendheid de oorlog is die ons vernietigt. En wie die onwetendheid uit medelijden steunt, zet de deur open voor de grootste wreedheid, en door aalmoezen en gunsten te verlenen aan zijn knechten besteelt hij de staat en berokkent hij hem onherstelbare verliezen.

(Hoofdstuk 7)
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010
Vertaling Harrie Lemmens
Tekening Zuca Sardan
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.