De man die de zee dood ziet gaan – José Eduardo Agualusa

Ik zie hem altijd ’s middags laat, als ik ga zwemmen. We komen elkaar dan tegen op de lange houten pier, een sierlijk staketsel dat zo’n honderdvijftig meter de Indische Oceaan in loopt, met aan het eind links en rechts een trapje naar het rustige water. Halverwege die pier staat een kiosk met twee of drie rieten stoelen, waar ze min of meer koud bier en de beste gegrilde garnalen van het eiland hebben. Die kiosk heet – hoe kan het anders – De Pier.

Mário is een grote, forse man. In zijn jeugd heeft hij gevoetbald als prof. Hij deed er ook biologie bij maar heeft die studie nooit afgemaakt. Ik zie hem uit de zee komen en over de betonnen trap, die beplakt is met schaaldieren en zeeëgels, omhoog klimmen terwijl de avond begint te vallen.

‘Nu zijn ook de zeepaardjes weg,’ zegt hij als antwoord op mijn groet. Uit zijn weduwnaarsmond klinkt dat ‘nu’ als huilen. Je krijgt de indruk dat hij zojuist het allerlaatste zeepaardje heeft zien creperen. ‘De visnetten…’ voegt hij eraan toe. En zwijgt.

Ik klop op de stoel naast me om hem uit te nodigen en bestel twee bier. We drinken zwijgend, als twee vrienden op een dodenwake. Mário zou urenlang kunnen vertellen over alle galjoenen, pangaio’s en dhows die een eind buiten het eiland vergaan zijn. Over de met medeweten van de autoriteiten geroofde schatten. Over het koraal dat de vissers uit de oceaan halen om kalk van te maken. Over de walvissen, die in juli, als de zee op zijn koudst is, hierheen komen en zich in de schemering verzamelen om de schoonheid van de wereld te bezingen. Dat zou hij kunnen, maar hij doet er liever het zwijgen toe. Hij is een man van weinig woorden. Wat ik van hem weet heb ik van anderen gehoord.

Hij is op het eiland neergestreken in het gezelschap van een blonde Nederlandse, even groot als hij, met een heldere schaterlach en een onlesbare dorst. Ze zeggen dat ze iedere man, christen of moslim, onder de tafel dronk zonder de greep op zichzelf te verliezen. De twee begonnen een bedrijfje dat excursies verzorgde om de gezonken schepen te bezichtigen, naar de dolfijnen en walvissen te kijken of op volle zee te zwemmen tussen de haaien.

Mário is in dezelfde stad geboren als ik, maar daar praten we nooit over. Ik weet dat hij weet dat ik uit Huambo kom en hij weet dat ik dat weet. We zijn als twee spionnen die elkaar in een zaal vol mensen herkennen, maar doen alsof ze vreemden zijn.

‘Als kind had ik een rivier,’ zegt Mário, terwijl de zon voor ons wegzakt in de donkere waterspiegel. ‘Toen kende ik de zee nog niet. Vertel eens: wat doen mensen die nooit omarmd zijn door een rivier?’

Ik kijk hem stomverbaasd aan: ‘De Calohumbala?’

Meteen als ik het zeg heb ik er spijt van. Mário doet alsof hij het niet heeft gehoord. Hij gaat door: ‘Als ik heel moe ben, als ik echt niet meer kan, doe ik mijn ogen dicht en laat me wegdrijven op de rivier.’

‘Hoelang duik je al?’

‘Ik heb biologie gestudeerd in Rio de Janeiro. Daar, in Brazilië, ben ik ook begonnen met duiken, op Fernando de Noronha. Ik ben naar Mozambique gegaan om Tofo te leren kennen, dat vissersplaatsje, en ben uiteindelijk duikinstructeur geworden. In Angola ben ik nooit meer geweest.’

‘Waarom ga je door met duiken?’

‘Dat is mijn beroep.’

‘Je gaat iedere dag duiken, ook al heb je geen klanten, maar het is net alsof je het met tegenzin doet. Ik zie je elke dag moedelozer uit het water komen.’

Mário bestelt nog een bier. Hij staart naar de horizon, die op dit tijdstip snel vervaagt, zodat het moeilijk uit te maken is waar de zee eindigt en de hemel begint. Een stel kraaien vliegt krassend over ons heen. Zodra ze weg zijn zet de stilte uit, die aanvoelt als een klap in je nek.

‘De kleinste oneindigheid van de wereld past niet in het menselijk denken,’ zegt Mário. Ik begrijp dat hij het niet tegen mij heeft. Of wel, maar dan alsof ik een kraai ben. Ik zeg niets.

Mário’s vrouw heette Marjolijn. Ze stierf onverwachts en liet hem achter met drie kleine kinderen, meisjes, die onder elkaar een verzonnen Nederlands spreken als ze niet willen dat iemand hen verstaat. Ze hebben de klaterende lach en de liefde voor het leven van hun moeder geërfd. Af en toe neemt Mário hen mee naar de zee. 

‘Toen ik begon met duiken, dacht ik dat de zee oneindig was.,’ gaat Mário verder. ‘En dat de zee eeuwig zou duren. Nu weet ik dat hij dood aan het gaan is. Ik zie hem iedere dag verder doodgaan. Eerst heb ik het koraal zien verdwijnen, daarna de zeekomkommers. Tegenwoordig vind je al nauwelijks meer grote kreeften. Als mijn dochters zo oud zijn als wij nu is dit water hier morsdood.’

Ook ik werd ooit omarmd door een rivier. Mário komt niet alleen uit hetzelfde land als ik – wat trouwens niet zoveel over hem zou zeggen – , hij komt ook uit eenzelfde jeugd. En een gedeelde jeugd schept wel een band.

Als hij opstaat, sta ik ook op en omarm hem. Hij laat het ietwat besmuikt toe, waarschijnlijk denkt hij dat ik te veel gedronken heb.

Mário loopt weg en ik ga weer zitten, doe mijn ogen dicht en denk aan de Calohumbula. Ik voel me omarmd en laat me wegdrijven.

Uit: Visão, 2 mei 2019.

Vertaling Harrie Lemmens
Foto Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.