Kromme ploeg – Itamar Vieira Junior

Itamar Vieira Junior (Salvador da Bahia, 1979) is geograaf en columnist voor de São Paulo Review. Met zijn eerste roman Torto Arado (Leya, 2019) won hij de Prémio Leya 2018. In de periode daarvoor schreef hij vooral korte verhalen, waarmee hij vorig jaar de eindronde haalde van de Prémio Jabuti, de belangrijkste literaire prijs van Brazilië. 

In Torto Arado (‘kromme ploeg’, woorden uit een dichtregel van de 18e-eeuwse dichter en politiek activist Tomás António Gonzaga) wordt het leven op het Braziliaanse platteland beschreven, waar de omstandigheden sinds de afschaffing van de slavernij niet veel verbeterd zijn. Die realiteit wil de schrijver onder de aandacht brengen. Je zou deze roman, die in de traditie van de Braziliaanse streekroman past en qua thematiek doet denken aan het werk van Raduan Nassar, Guimarães Rosa en Jorge Amado, dan ook een politiek statement kunnen noemen. De jury roemde het boek vanwege “het degelijk en evenwichtig opgebouwde verhaal en de manier waarop de schrijver het plattelandsleven in Brazilië in beeld brengt, vooral het leven van vrouwen in een patriarchale samenleving”.

Bibiana en Belonísia zijn dochters van landarbeiders in de sertão van de staat Bahia, afstammelingen van slaven. Geïntrigeerd door een mysterieuze koffer onder het bed van hun grootmoeder doen ze iets waarvoor ze de rest van hun leven moeten boeten. Als gevolg hiervan worden ze onafscheidelijk. Maar naarmate de jaren verstrijken, groeien ze uiteen: terwijl Belonísia tevreden lijkt met het werk op de boerderij, dringt bij Bibiana het besef door dat haar familie al decennialang onrecht wordt aangedaan. Ze besluit zich in te zetten voor het recht op land en de emancipatie van landarbeiders. Maar daarvoor moet ze het platteland verlaten. 

Torto Arado is “een ontroerende roman over leven en dood, over strijd en verlossing, over mensen, vrijwel altijd vrouwen, die nooit aan de anonimiteit zijn ontsnapt en hun hele leven de gevolgen van onuitroeibare ongelijkheid ondergaan.” (Leya Online)

Na de foto volgt een fragment uit deze nog onvertaalde roman:

Toen ik de vieze, vlekkerige lap stof waar het mes in zat uit de koffer met kleren haalde, was ik een jaar of zeven. Mijn zusje Belonísia, die bij me was, was een jaar jonger. Kort daarvoor hadden we nog op het erf van het oude huis gespeeld met poppen van maiskolven die de week daarvoor waren geoogst. We hadden het kaf, dat al geel geworden was, rond de kolven gebonden alsof het rokjes waren. We deden alsof de poppen onze dochters waren, dochters van Bibiana en Belonísia. Toen we onze grootmoeder het erf aan de zijkant van het huis zagen aflopen, keken we elkaar aan als teken dat de kust vrij was en zeiden we tegen elkaar dat het tijd was om uit te zoeken wat Donana in de leren koffer verstopte, tussen de afgedragen kleren die naar ranzig vet roken. Donana merkte dat we ouder werden omdat we soms nieuwsgierig haar kamer binnenvielen om vragen te stellen over gesprekken die we hadden opgevangen of over dingen waar we niets van af wisten, zoals de spullen in de koffer. Dan kregen we onmiddellijk een uitbrander van onze vader of moeder. Met name mijn grootmoeder hoefde ons maar streng aan te kijken of onze haren gingen overeind staan en het zweet brak ons uit, alsof we voor een vuur stonden.

Toen ik haar in de richting van de binnenplaats zag lopen, keek ik Belonísia dan ook meteen aan. Ik popelde om in haar spullen te gaan rondneuzen en sloop zonder aarzelen op mijn tenen naar haar kamer om de oude leren koffer, die onder een dikke laag stof zat, te openen. Die koffer lag al zolang we ons konden heugen onder het bed. Ik heb weleens op de binnenplaats door de poort staan gluren en toen zag ik oma Donana in de richting van het bos gaan, dat zich achter de boomgaard en de groentetuin bevond, achter het oude kippenhok. In die tijd hoorden we onze grootmoeder vaak in zichzelf praten en rare dingen zeggen tegen iemand die wij niet konden zien, bijvoorbeeld dat die persoon uit de buurt van Carmelita moest blijven, een tante die wij nooit hebben gekend. Ook moest degene die ze in haar gedachten zag uit de buurt van de meisjes blijven. Er was geen touw aan vast te knopen, aan wat ze zei. Ze praatte tegen mensen die wij niet zagen – geesten – of over mensen die we nauwelijks kenden, vage kennissen en verre verwanten. We raakten eraan gewend dat Donana voortdurend liep te praten in huis of bij de poort naar de straat, op weg naar de akker of op de binnenplaats, alsof ze het tegen de kippen had of tegen de dorre bomen. Dan keken Belonísia en ik elkaar aan en moesten we stilletjes lachen, terwijl we ongemerkt dichterbij probeerden te komen. Dan deden we alsof we vlakbij met iets aan het spelen waren, alleen maar om haar af te luisteren, en dan herhaalden we later met een uitgestreken gezicht tegen de poppen, de dieren en de planten wat Donana had gezegd. We herhaalden wat mijn moeder in de keuken zachtjes tegen mijn vader zei: “Ze praat wel heel veel vandaag, ze praat steeds vaker in zichzelf”.  Mijn vader gaf niet graag toe dat mijn grootmoeder tekenen van dementie vertoonde en zei dat zijn moeder haar hele leven in zichzelf had gepraat, dat ze haar hele leven al liep te prevelen en te mompelen, alsof ze met haar hoofd in een andere wereld was. 

Die dag hoorden we de stem van Donana vervagen te midden van het gekraai en gekwetter van de vogels op de binnenplaats. Het was alsof haar geprevel en gemompel, waarvan we vaak geen snars begrepen, opging in de lucht, werd meegevoerd op de golven van onze ademhaling, die koortsig was omdat we op het punt stonden iets te doen wat niet mocht. Belonísia dook onder het bed en trok de koffer tevoorschijn. Het dierenvel dat daar lag om de oneffenheden van de aarden ondergrond te bedekken, verschoof onder haar lichaam. Ik deed de koffer open, alleen, terwijl onze ogen glinsterden. Ik tilde wat kleren op, sommige oud en vaal maar andere met kleuren die nog schitterden in het licht van de droge dag, licht dat ik nooit exact wist te beschrijven. En midden in die rommelige hoop kleren bevond zich een vieze vod die rond een object was geknoopt dat onze aandacht trok, alsof het een kostbaar sieraad was dat onze grootmoeder daar stiekem bewaarde. Ik maakte de knoop los, terwijl ik luisterde of de stem van Donana nog steeds ver weg klonk. Ik zag de ogen van Belonísia glanzen, alsof we een fonkelnieuw geschenk hadden ontdekt, dat was gemaakt van een zojuist uit de grond gehaald metaal. Ik hield het mes, dat niet groot maar ook niet klein was, omhoog, en mijn zusje vroeg of ze het mocht vasthouden. Dat liet ik niet toe, ik wilde het als eerste bekijken. Ik rook eraan, het had niet die muffe geur van de oude spullen van mijn grootmoeder, er zaten geen vlekken op en ook geen krassen. Mijn eerste reactie op dat moment was dat ik het mysterie zo snel mogelijk wilde ontrafelen en de kans niet voorbij wilde laten gaan om te achterhalen waar dat ding, dat daar in mijn handen lag te blinken, toe diende. Ik zag de reflectie van een deel van mijn gezicht, als in een spiegel, en ook het gezicht van mijn zusje op de achtergrond. Belonísia probeerde het mes uit mijn hand te trekken, maar ik trok terug. “Laat mij het nou even vasthouden, Bibiana.” “Straks.” Ik stopte het metaal in mijn mond, zo graag wilde ik weten hoe het smaakte, en bijna tegelijkertijd werd het mes met geweld uit mijn hand gerukt. Ik stond perplex, mijn blik gericht op Belonísia, die het mes nu ook in haar mond stopte. De smaak van metaal die in mijn mond was blijven hangen mengde zich met de smaak van het warme bloed dat uit een hoek van mijn halfopen mond liep en langs mijn kin naar beneden droop. Het bloed maakte de groezelige, met donkere vlekken bedekte lap die rond het mes zat nog viezer.

Belonísia trok het mes ook uit haar mond, maar bracht daarna onmiddellijk haar hand naar haar mond alsof ze iets wilde pakken. Haar lippen waren vuurrood, ik wist niet of het kwam door de emotie van het moment of doordat ze zich net als ik had verwond, want uit haar mond liep ook bloed. Ik probeerde het bloed zoveel mogelijk weg te slikken, terwijl mijn zusje steeds met haar hand over haar mond wreef, met opengesperde ogen vol tranen, en de pijn probeerde te onderdrukken. Ik hoorde mijn grootmoeder komen aansloffen, terwijl ze riep: Bibiana, Zézé, Domingas, Belonísia. “Bibiana, zie je dan niet dat de aardappelen aanbranden?” Het rook inderdaad naar aangebrande aardappel, maar ook naar metaal en naar het bloed dat mijn kleren en die van Belonísia doordrenkte.

Toen Donana het gordijn dat de ruimte waarin ze sliep afscheidde van de keuken opzij sloeg, had ik het mes al van de grond gepakt en vlug in de doorweekte lap gedraaid, maar het was me niet gelukt om de leren koffer weer onder het bed te schuiven. Ik zag de onthutste blik van mijn grootmoeder, die me met haar grove hand een draai om de oren gaf en hetzelfde deed bij Belonísia. Ik hoorde Donana vragen wat we daar aan het doen waren, waarom haar koffer niet op zijn plaats lag en wat dat bloed daar deed. “Zeg wat”, commandeerde ze, en ze dreigde onze tong af te snijden als we niet zouden praten, maar wat ze niet wist, was dat die tong in een van onze handen lag.

Vertaling Marilyn Suy
Foto’s Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.