De zon op mijn hoofd – Geovani Martins

Over het vertalen van “O sol na cabeça” van Geovani Martins

Door Kitty Pouwels

“Gesnoven heb ik nooit. Ik weet nog dat mijn broer een keer helemaal over de rooie thuiskwam en me riep om er samen eentje te gaan roken op de toegangsweg. Hij wou een gesprek van man tot man, ik voelde het gelijk. De reden waarom hij zo opgefokt was, was dat een mattie uit z’n jeugd zomaar ineens was doodgegaan. Overdose. Die gast zat helemaal wous op z’n fiets, misschien zelfs onderweg om meer te gaan kopen, toen hij ineens onderuitging. En hard ook. Overdose. Tering man, hij was op dat moment net zo oud als mijn broer. Tweeëntwintig! Ik had mijn broer nog nooit zo gezien, ze waren echte homies. Dus vandaar dat-ie zei dat ik het bij wiet moest houden. Geen coke, geen crack, geen xtc of al die shit. Zelfs geen lijm moest ik doen, want daar smelten je hersens van weg. En dan alle jochies die van het lijmsnuiven een hartstilstand krijgen. Die dag heb ik hem en mezelf beloofd om nooit coke te gaan snuiven. Crack roken al helemaal niet, ben je gestoord, alleen maar ellende. Een poppertje doe ik nog weleens, paar snuifjes bij het uitgaan, maar ik hou me in. Ik snap nu dat mijn broer gelijk had, gewoon bij wiet blijven is de shit, zelfs drank moet je niet doen. Op mijn verjaardag bijvoorbeeld, ik ging helemaal uit mijn dak, ik deed domme dingen. En waardoor? Cachaça! Het ergste is dat ik me niks herinner. Het ene moment zit ik in de keet van Tico en Teco te drinken en te kaarten, en het andere moment word ik thuis wakker, onder de troep. De dag erop kreeg ik die hele shit te horen. Ze zeiden dat ik de meisjes op straat had lastiggevallen, zelfs een chickie achterna was gelopen een steeg in. Domme shit man. Als een bendelid je op zoiets pakt, dan word je geklapt. Reken maar. “

‘Braziliaan uit de krottenwijken van Rio de Janeiro debuteert met verhalenbundel die al vóór verschijning aan negen buitenlandse uitgeverijen wordt verkocht.’ Als iemand Geovani Martins een paar jaar geleden zou hebben voorspeld dat dit hem zou overkomen, zou hij het niet hebben geloofd.

Martins groeide op in verschillende favela’s in Rio de Janeiro. Hij leerde lezen van zijn oma, ging op zijn vijftiende van school en voorzag in zijn onderhoud met losse baantjes, onder andere als strandverkoper en sandwichman. Via een programma om jongeren uit achterstandswijken met literatuur in aanraking te brengen ontdekte hij dat zijn verhalen weerklank vonden. Dat leidde tot de verhalenbundel die op 18 april in Nederlandse vertaling zal verschijnen onder de titel De zon op mijn hoofd.

De verhalen zijn bescheiden van toon en opzet en maken juist daardoor indruk. Hoewel de grote problemen van de Braziliaanse samenleving erin naar voren komen – drugsgerelateerd geweld, corruptie, rassendiscriminatie – zijn ze heel subtiel en menselijk en zitten ze vol onverwachte wendingen.

De vertellers, merendeels jongens en jonge mannen, hebben ieder hun eigen stem. In de meeste verhalen wordt ‘normaal’ Braziliaans-Portugees gesproken, maar in sommige klinken taalvarianten uit de favela’s van Rio, met veel smaak en in de bijbehorende fonetische spelling neergezet. Het gebruik van dit favelês vormde voor mij als vertaler een complicerende factor. Hoe kon ik recht doen aan de afwijkingen van de taalnorm die zo’n essentieel onderdeel zijn van deze verhalenbundel?

Het openingsverhaal dompelde me onmiddellijk onder in een wereld waarvan ik niet alles begreep, maar waarnaar ik wél wilde blijven luisteren.

Leidraad bij mijn werk was mijn eigen eerste leeservaring. Het openingsverhaal – waarin een jonge favelabewoner met zijn vrienden naar het strand gaat en aan het eind van de middag dreigt te worden opgepakt door de militaire politie – dompelde me onmiddellijk onder in een wereld waarvan ik niet alles begreep, maar waarnaar ik wél wilde blijven luisteren. Als naar muziek, of een boeiend verteld verhaal. Mijn vertaling zou een soortgelijk spreektalig gehalte moeten hebben.

Bepaalde uitdrukkingen in dit eerste verhaal brachten me bij songteksten van Braziliaanse rapnummers, en ik begon me te verdiepen in Nederlandse teksten van rapmusici als Fresku en MocroManiac. Passages over drugs en graffiti brachten me bij internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten. Kortom: het wereldwijde web bewees me goede diensten als leverancier van woorden, uitdrukkingen en technische informatie. Dit leidde tot een kladvertaling vol grammaticale abnormaliteiten en vondsten waar ik in eerste instantie heel verheugd over was, maar die lang niet allemaal de uiteindelijke versie hebben gehaald.

De grote vraag was namelijk: klinkt dit overtuigend? Als vertaler wil ik dat mijn tekst tot een leeservaring leidt die vergelijkbaar is met die van de lezer van het origineel. Natuurlijk bestaat ‘de’ lezer van het origineel evenmin als ‘de’ lezer van de vertaling, maar er waren een paar valkuilen waar ik niet in wilde trappen. Zo mocht de verteller niet klinken als iemand uit bijvoorbeeld de Bijlmer of de Schilderswijk. Er moest geen kunstmatig dialect worden gecreëerd, maar eerder worden gesuggereerd dat de verteller een afwijkende taal sprak. En de lezer moest kunnen geloven dat hij luisterde naar een jongen uit de favela.

Zo weerbarstig van taal als het eerste verhaal in de bundel is, zo toegankelijk is het tweede. Hierin komt een scholier aan het woord (in standaardtaal) die merkt dat onbekenden bang voor hem zijn, waarna hij in een soort spel de verhoudingen begint te verkennen. Een fragment: 

“Mijn eerste achtervolging zal ik nooit vergeten. Het begon allemaal op de manier die ik het rotste vond: toen ik weer eens uit pure afwezigheid werd opgeschrikt door de schrik van die ander en plotseling in de gaten kreeg dat ík de reden, het gevaar was. Ik hield mijn adem en mijn tranen in, ik bedwong mezelf voor de zoveelste keer om niet uit te barsten tegen het oude vrouwtje dat zichtbaar opgelaten was omdat ze met mij, en mij alleen, de bushalte moest delen. Maar dit keer ging ik niet zoals altijd verder weg staan, maar kwam ik juist dichterbij. Ze probeerde achterom te kijken zonder dat ik het merkte en ik ging steeds dichter bij haar staan. Ze keek met een smekende blik om zich heen, zoekend naar hulp, en ik kwam pal naast haar en staarde naar haar tas, alsof het me interesseerde wat daar wel in zou zitten, en probeerde eruit te zien als iemand die tot alles in staat is om te krijgen wat hij wil. Ze liep met trage pasjes weg van de halte. Ik keek toe hoe ze zich van me verwijderde. Ik snapte zelf niet goed wat ik voelde. En op dat moment dacht ik nergens meer aan en begon ik achter die vrouw aan te lopen. Ze had het meteen door. Ze leek alert, verstijfd, tot het uiterste gespannen. Ze probeerde haar pas te versnellen om zo gauw mogelijk ergens te komen. Maar het was alsof op straat alleen wij twee bestonden. Soms verhoogde ik mijn snelheid – ik begon de smaak te proeven van die angst, bedekt met stof uit andere tijden. Daarna vertraagde ik weer een beetje zodat ze op adem kon komen. Ik weet niet hoelang dat allemaal duurde, waarschijnlijk niet meer dan een paar minuten, maar voor ons leek het een heel leven. Totdat ze een espressobar binnenging en ik doorliep.”

De dertien verhalen in de bundel gaan allemaal over aspecten van het leven in de minder welvarende wijken van Rio de Janeiro, maar in elk ervan kijken we door de ogen van een ander personage, met zijn eigen problemen en zijn eigen kijk op de wereld. Zo ontstaat er een veelzijdig en subtiel mozaïek, dat doet verlangen naar meer. Goed nieuws: de auteur werkt aan een roman.

Foto Ana Carvalho

De zon op mijn hoofd (O sol na cabeça)
Geovani Martins
Vertaald door Kitty Pouwels
Uitgeverij Atlas Contact, 2019
136 blz.
ISBN 9789025453589

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.